Laat het dier zelf beslissen, zegt emeritus hoogleraar gedragsfysiologie Jaap Koolhaas*). De omgeving waarin we dieren houden zou zo ingericht moeten worden, dat ze zelf hun keuzes kunnen maken.
Koolhaas gaat in op de vraag of het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag het welzijn van dieren verbetert. Niet alleen een wetenschappelijke vraag, maar ook een politieke vraag. Eerder dit jaar is via een amendement van de Partij voor de Dieren de Wet Dieren gewijzigd. Dankzij dit amendement kan het huisvesten van dieren zoals we dat gewend zijn, niet langer als redelijk doel worden beschouwd. De manier van huisvesten moet worden aangepast aan het dier, in plaats van andersom. Het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag is volgens de indieners van de wetswijziging een belangrijke voorwaarde voor het houden van dieren.
Koolhaas vat natuurlijk gedrag breed op: zelfs een leeuw die door een hoepel springt vertoont volgens hem natuurlijk gedrag. ”Het hoort immers bij normaal gedrag dat leeuwen dingen kunnen leren.”
Over het belang van natuurlijk gedrag binnen de bandbreedte zoals Koolhaas schetst, hoeft geen misverstand te bestaan. Dan doelt hij op gedrag zoals dat in de natuur voorkomt, met het bijbehorende gedragsrepertoire, gebruik makend van de biologische eigenschappen van de soort, met aangeboren en aangeleerde componenten. Koolhaas plaatst daarbij wel de kanttekening dat veel ogenschijnlijk onnatuurlijk gedrag als natuurlijk gedrag moet worden beschouwd. Niet alleen de leeuw die door een hoepel springt, maar ook de muis die in een kooitje op een pedaal drukt om voedsel te krijgen, vertoont natuurlijk gedrag.
Het houden van dieren moet worden afgestemd op vrijheid
Het begrip natuurlijk gedrag is met andere woorden zo breed dat je er zeer veel kanten mee op kunt. Volgens Koolhaas is de intentie van de wetswijziging goed, maar de uitvoering problematisch. Beter is het om dierenwelzijn te koppelen aan autonomie. Om het welzijn van dieren te verbeteren zal de houderij moeten worden afgestemd op vrijheid. Dieren kunnen dan zelfstandig beslissingen nemen. Met routine, elke dag dezelfde handelingen uitvoeren, eten uit een bak zonder dat ze er iets voor hoeven te doen, doe je een dier geen plezier. Gebrek aan regie is voor dieren net zo geestdodend als lopendebandwerk voor de mens.
Koolhaas weet zich gesteund door diverse onderzoeken waaruit blijkt dat autonomie wezenlijk is voor tevredenheid, welbevinden, gezondheid. Dat geldt voor mensen, maar evenzeer voor dieren. Bij veel diersoorten is aangetoond dat ze plezier beleven aan het zelf nemen van beslissingen. Ze willen graag zelf controle hebben over de situatie waarin ze verkeren. En het is goed voor ze om inspanningen te leveren om een doel te bereiken.
Wat hier werkt is de ”Law of effect”, een principe uit de psychologie en de gedragsconditionering dat al 1898 door Edward Thorndike is bedacht. Verschillende gedragsonderzoeken hebben een vergelijkbaar principe aangetoond bij dieren. Het activeren van het beloningssysteem in het centrale zenuwstelsel speelt daarbij een belangrijke rol. Zo bleken duiven, gesteld voor de keuze om aangeboden voer op te eten of voor dat voer iets te doen, aan dat laatste de voorkeur te geven. ”Werken voor voedsel is belonend”, aldus Koolhaas. ”Het beloningssysteem is relevant voor dierenwelzijn. Welzijn berust op het activeren van dat systeem.”
Vijf vrijheden van Brambell
De visie van Koolhaas staat haaks op de zogeheten vijf vrijheden van Brambell. Die waren jarenlang leidend in het denken over dierenwelzijn. Brambell kreeg in 1965 de opdracht van de Britse regering om voorwaarden op te stellen voor het houden van dieren. Hij kwam met de volgende criteria: de afwezigheid van honger, dorst, ongemak, pijn, verwonding en ziekte, stress en angst en de mogelijkheid om normaal gedrag te vertonen.
Koolhaas heeft het over een interessante paradox, waarmee Brambell geen rekening heeft gehouden. Te weten: hoe groter de honger, hoe groter de beloning als het gedrag van een dier zo succesvol is dat de honger wordt opgeheven. ”Een dier dat geen honger en geen dorst heeft, is dood”, prikkelt Koolhaas de gedachtenvorming. Hij omschrijft de essentie van dierenwelzijn als het succes van zelf geïnitieerd gedrag; ”het vermogen van het dier om zich aan te passen en de regie te voeren in het licht van de eigen, soortspecifieke, emotionele en sociale mogelijkheden en beperkingen”.
*) Prof.dr.Jaap Koolhaas studeerde biologie in Groningen, waar hij in 1975 promoveerde op een proefschrift over de neurobiologie van agressie. Jarenlang was hij als gedragsfysioloog verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Koolhaas sprak op 23 september 2021 bij het afscheid van Hans Hopster als lector dierenwelzijn van Van Hall Larenstein en onderzoeksleider bij Wageningen Universiteit