Natuurlijk gedrag van varkens

Varkens zijn gevoelige en intelligente dieren. Dat bepaalt voor een groot deel hun gedrag. Worden ze daarin belemmerd, dan ontstaan er tal van problemen. In 2015 schreef ik het boek Varkens, met daarin een overzicht van hun natuurlijke gedrag. Mijn belangrijkste bron waren onze eigen varkens. We hebben zelf jarenlang varkens gehouden, dus ik had alle gelegenheid ze van nabij te bestuderen. Tegelijkertijd ontwikkelde de wetenschap de afgelopen decennia een enorme hoeveelheid aan kennis.

Dertien gedragsbehoeften van varkens

Terwijl Nederland het meest varkensdichte land van Europa is, valt op hoe weinig fundamenteel onderzoek hier is gedaan naar de vraag: wat wil het varken? De Nederlandse onderzoeksinstituten, die nauw verbonden zijn met het agrarisch bedrijfsleven, hadden duidelijk geen belang bij de beantwoording van die vraag, enkele wetenschappers daargelaten. Dus moest ik het bij het schrijven van het boek vooral doen met buitenlandse bronnen. Het leverde genoeg materiaal op, dat hieronder per gedragsbehoefte is geordend. Er zijn maar liefst dertien gedragsbehoeften te onderscheiden.

Gezond zijn

Varkens kunnen tegen een stootje. Dat geldt zeker voor de dieren die niet zijn doorgefokt op specifieke eigenschappen, zoals een snelle groei of het werpen van heel veel biggen. Varkens die van jongs af aan buiten lopen, bouwen weerstand op tegen allerlei infecties. Bij een goede voeding in combinatie met voldoende beweging, weinig stress en een droge en tochtvrije stal kunnen ze heel lang gezond blijven en een hoge leeftijd bereiken. Varkens van twintig jaar zijn misschien een uitzondering, maar ze bestaan wel.

Toch zijn er enkele varkensziekten, van vrij onschuldig tot zeer ernstig, waarmee ook de houder van de meer robuuste rassen te maken kan krijgen. Tegen sommige van die ziektes, zoals vlekziekte, wormen, schurft en luis, is vaccinatie mogelijk; tegen andere niet. Voor blaasjesziekte bijvoorbeeld bestaat nog geen vaccin. Mocht er zich een uitbraak voordoen van varkenspest, dan mogen de varkens tegenwoordig worden ingeënt. Hetzelfde geldt voor mond-en-klauwzeer. Gelukkig is vaccinatie toegestaan, want deze virussen kunnen zelfs het sterkste varken vellen.

Daarnaast kennen varkens allerlei kleine kwaaltjes, die met een goede verzorging meestal snel te verhelpen zijn. Zo vraagt een schilferige huid om een behandeling met babyolie. Heeft een varken een wondje? Dan kan daar niet gauw genoeg iets aan worden gedaan, want varkens zijn dol op de geur en smaak van bloed. Het gewonde varken wordt gelikt of gebeten. Door wondjes te behandelen  met jodium verdwijnt de aantrekkelijke bloedgeur.

Varkens die veel buiten lopen, hebben meestal sterke pootspieren en gewrichten. Een verharde uitloop zorgt voor gezonde klauwen (hoeven), die op natuurlijke wijze afslijten. Toch kan het soms nodig zijn de klauwtjes te bekappen. Dat lijkt een onmogelijke opgave, maar is in feite heel simpel: een varken dat gewend is aan een buikmassage, gaat graag op z’n rug liggen en raakt al gauw in zo’n ontspannen toestand dat de ‘’varkenspedicure’’ geen enkele weerstand meer oproept.

Eten en drinken

Wilde zwijnen eten veel en gevarieerd. Het gedomesticeerde varken doe je ook een plezier met een veelzijdig voedselaanbod: gerst, groente, fruit, noten, gras en hooi, een kippetje op z’n tijd. Als ze de kans krijgen en met niet teveel soortgenoten aan dezelfde trog staan, nuttigen ze hun maaltijd langzaam en met smaak. Dat hun reukvermogen zeer goed is ontwikkeld, hangt daarmee samen. Van alle dieren waarvan tot nu toe het genoom in kaart is gebracht heeft het varken het grootste aantal actieve genen voor het herkennen van geuren.

De meeste productievarkens leven uitsluitend op brok. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer een halve kilo van dit varkensvoer kan worden vervangen door gras, hooi en mais. Voor het gemiddelde hobbyvarken zou de hoeveelheid ruwvoer voor deze dieren zelfs nog wat ruimer kunnen. Maar pas echt leuk wordt het voor een varken als het een stuk grond heeft waar het zijn neus in kan steken. Ze zijn het gewend om de grond om te woelen, op zoek naar wormen, insecten en ander eetbaar spul: gras, wortels, knollen, zaden, fruit en bessen. De wroetschijf van het varken is gevoelig, maar ook sterk. 

Naast voldoende voedsel, moet een varken permanent kunnen beschikken over vers drinkwater. Dat is zelfs in Europese regels vastgelegd. Wat een varken absoluut niet mag hebben is ‘’swill’’, keukenafval waarin zich resten van varkensvlees bevinden. Dat is bij wet verboden, omdat zich langs die weg dierziekten kunnen verspreiden.

Samenzijn met andere varkens

Varkens leven in groepsverband. Ze zijn in staat om twintig tot dertig andere varkens te herkennen. Binnen de groep, de rotte, wordt de rangorde bepaald door de leeftijd. Varkens van dezelfde leeftijd knokken met elkaar om hun onderlinge rangorde te bepalen. De grootste varkens staan boven de kleinere. Dat begint al jong: tijdens het zogen. Na een paar dagen is de rangorde bepaald en heeft elke big zijn eigen tepel.

Wanneer aan een groep varkens een nieuw varken wordt toegevoegd, krijgt deze gedurende ongeveer een maand geen toegang tot het lignest. Daarna wordt het varken in de groep opgenomen en slapen de dieren gezamenlijk, dicht tegen elkaar aan. Binnen de groep ontstaan los van de rangorde ook relaties tussen de verschillende individuen. Varkens kunnen hechte vriendschappen ontwikkelen. Een varken raakt minder gauw gestrest als er een vriend of vriendin in de buurt is en het zal ook vaak met de vaste ‘’partner’’ scharrelen en een modderbad nemen.

Recent onderzoek heeft aangetoond dat varkens beschikken over inlevingsvermogen. Als varkens gevoelig zijn voor de stress van hun groepsgenoten, dan kan dat overslaan op de hele groep varkens met negatieve consequenties voor hun welzijn, gezondheid en productiviteit. Aan de andere kant, als varkens gevoelig zijn voor positieve emotionele uitingen van hun groepsgenoten dan kan dat ook een positieve uitwerking hebben op de hele groep. Varkens houden elkaar voortdurend in de gaten en communiceren in hun eigen taal, die bestaat uit ruim twintig verschillende geluiden, variërend van ‘’knor’’, ‘’knor, knor’’, ‘’knor, knor, knor’’’ tot en met piepen en gillen. Ergernis, tegenzin, welbehagen, honger, woede, pijn – een varken drukt het allemaal uit en kan de verschillende emoties bij zichzelf en bij andere varkens onderscheiden.

Ruimte

De meeste varkens in Nederland hebben niet meer dan één vierkante meter tot hun beschikking. Dan zijn er de bofkonten die met z’n drieën of vieren dagelijks op een stuk grond van zo’n vijfhonderd vierkante meter mogen wroeten. Echt in hun element zijn de geluksvarkens die met een rotte in een bos of op een natuurterrein worden losgelaten. Wageningen Universiteit heeft het voor de provincie Overijssel onderzocht en kwam uit op 25.000 hectare natuurgrond die in deze provincie geschikt is voor het houden van landschapsvarkens.

Hoeveel varkens er kunnen loslopen op natuurgronden in Overijssel hangt af van het doel van de natuurbeheerder. Meestal is er alleen extensief beheer nodig, waarbij de bestaande flora en fauna zoveel mogelijk intact blijft. Berekeningen laten zien dat op deze manier bij de grootste natuurbeherende organisaties in Overijssel ruim vijfhonderd landschapsvarkens kunnen lopen. Deze varkens lopen dus niet allemaal bij elkaar, maar verspreid over verschillende soorten percelen: grasland, akkerland, bos, en heide.

Op gras zouden bij extensief beheer gedurende één week tien varkens per hectare gehouden kunnen worden. Na deze week kunnen ze naar andere graslanden, om na vier weken weer terug te keren naar het eerste perceel. Op akkerland kunnen veel minder varkens worden ingezet: 0,2 per hectare gedurende een week. Daarna hebben de varkens er niets meer te zoeken. In een bosperceel kunnen gedurende één week 0,2 varkens op een hectare worden gehouden, zonder dat ze schade toebrengen aan de bomen en planten. Op een vergraste heide kunnen varkens maar heel beperkt hun heilzame werk verrichten. Daar kunnen slechts 0,02 varkens gedurende één week per hectare worden ingezet, zonder de heideplanten te beschadigen.

Stel nu dat men de Overijsselse natuurgebieden eens grondig zou willen aanpakken door een groot deel van de bestaande vegetatie te verwijderen. Beetje vreemde gedachte misschien, maar Wageningen Universiteit heeft ook dit doorgerekend: daar zouden 62.000 varkens voor nodig zijn.

Een lekker leefklimaat

Varkens hebben geen zweetklieren, ze beschikken over een isolerende laag vet, een dunne vacht, beperkte mogelijkheden om te hijgen en een huid die snel verbrandt door de zon. Al deze eigenschappen maken dat varkens door hun gedrag moeten proberen het lichaam op de goede temperatuur te houden. Dat doen ze door verkoeling te zoeken als het warm is en in beweging te blijven of juist dicht tegen elkaar aan te kruipen als het koud is.

Vooral hitte kan een probleem zijn voor varkens. Al bij temperaturen vanaf een graad of twaalf kunnen zij behoefte hebben aan extra koelte. Vanaf 16 graden Celsius liggen varkens al niet meer dicht bij elkaar. Vanaf 18 graden zoeken ze koelere plekken op, vanaf 20 graden verblijven ze het liefst op een natte ondergrond, ze voelen ze dan al minder prettig,. Bij 23 graden gaan de dieren sneller ademen, bij temperaturen van 25 graden (de bovengrens van hun thermoneutrale zone) gaan ze minder eten en vanaf 28 graden stijgt de lichaamstemperatuur en wordt het gevaarlijk.

Het liefst koelen varkens af in water, modder of op een koude ondergrond in de schaduw van een boom. In de industrie ontbreken deze mogelijkheden. Daar kunnen ze in het gunstigste geval onder een douche. Met een beetje geduld kun je varkens leren zelf deze douche aan en uit te zetten.

Gesproken wordt over hittestress als een varken door hoge temperaturen en luchtvochtigheid niet meer in staat is zijn lichaamstemperatuur te regelen. Dit heeft gevolgen voor de gezondheid. Het varken wordt sloom, eet minder, zijn afweer neemt af, hij wordt ziek en gaat bij onvoldoende verzorging uiteindelijk dood.

Bewegen

Varkens kunnen op een dag vele kilometers afleggen. Zo delen wilde zwijnen met ongeveer twintig soortgenoten een leefgebied van wel duizend hectare. Op hun trektochten in de schemer en de nacht kunnen ze met gemak vijftien kilometer lopen. Vooral de mannetjes zijn zeer actief. Meestal bewegen ze zich voort in een rustig tempo, ondertussen zoekend naar voedsel. Maar als het moet, kunnen ze ook heel hard rennen. Harder dan de mens. Er zijn snelheden geklokt van 50 kilometer per uur. In Amerika worden geregeld bij wijze van volksvermaak varkensraces gehouden. Het publiek kan zich daar vergapen aan vaak jonge varkens, die het op een parcours tegen elkaar opnemen. Het kost niet veel moeite de varkens in beweging te krijgen, als er aan de finish maar een bak met wat lekkers staat.

Varkens lopen op hun tenen. Aan de twee middelste tenen van hun poot zitten hoeven. Daarom behoren varkens tot de ‘’evenhoevigen’’. Anders dan koeien, schapen of geiten, hebben varkens aan elke poot nog twee tenen, zonder hoeven. Halverwege de achterpoten bevinden zich het hakbeen en het hakgewricht. De knieën van de achterpoten zitten verborgen in de hammen, het heupgewricht zit vlak onder de staart. De knieën van de voorpoten zijn zichtbaar, halverwege de poot. Daar waar de voorpoot overgaat in de romp zitten de elleboog en het ellebooggewricht. Deze zijn via een opperarmbeen verbonden met een schoudergewricht.

Varkens zijn gebouwd op een leven vol beweging. Hoe graag ze ook rusten, ze  trekken er met even veel plezier op uit. Zwemmen kunnen varkens ook. Ze zijn van nature niet erg bang voor water. Ze kunnen zelfs duiken. Een aangrenzende sloot is daarom niet genoeg als afbakening van een varkenswei. Het kan even duren, maar als ze de sloot eenmaal ontdekt hebben, zullen ze die gebruiken als drinkbak, zwembad en… ontsnappingsroute.

Krabben en schuren

Varkens verzorgen hun huid zelf door zich te krabben met hun poot, door zich te likken en te schuren aan boomstammen, takken en struiken. Hebben ze geen stevige schuurplek tot hun beschikking, dan zullen ze daar al gauw de deur van het hok of een scheidingswand voor gebruiken. Deze moeten dan wel ‘varkensproof’ zijn. Schuurpalen kunnen geplaatst worden bij de modderbaden en op andere plaatsen in de omheining. Het liefst zodanig dat het varken z’n achterste, z’n zij en z’n kop kan schuren. Uit al het onderzoek dat is gedaan naar het schuurgedrag van varkens, komt naar voren dat onder natuurlijke omstandigheden pijnbomen met een diameter van minder dan vijftien centimeter de voorkeur hebben.

Zeugen uit eenzelfde groep poetsen elkaar graag om van de jeuk, parasieten, huidschilfers en insecten af te komen, maar ook omdat ze het gewoon lekker vinden. Een varken ziet zijn verzorger ook als lid van zijn groep. Af en toe een flinke poetsbeurt met een harde borstel hoort daarom bij een goede varkensverzorging. De varkens genieten ervan en gaan al gauw op hun rug liggen om hun favoriete poetsplek ter beschikking te stellen: hun buik. Staat een varken zich continu te schuren, dan wordt het waarschijnlijk geplaagd door luizen of mijten en is er een middeltje nodig om ze hier snel vanaf te helpen.

Rusten

Ze zeggen wel eens: zo lui als een varken. Dat blijkt nog te kloppen ook. Een varken ligt maar liefst tachtig procent van de tijd niets te doen. Wageningen Universiteit heeft het onderzocht en kwam tot de conclusie dat een varken veel wil rusten, liefst in het gezelschap van andere varkens. Want een varken alleen: dat kan absoluut niet.

’s Zomers liggen ze overdag graag buiten, als het teminste niet regent. Ze hebben een hekel aan een natte ligplaats. Een zachte, droge en en schone plek daarentegen nodigt uit om zich neer te vleien en in slaap te vallen. Die slaap kent net als bij mensen verschillende fasen. Ze kunnen doezelen, heel diep slapen en ook dromen. Omdat varkens kunnen verbranden, is het belangrijk dat ze buiten beschikken over een schaduwrijke plek. Als de temperatuur oploopt zullen ze daar vaak te vinden zijn. Of ze liggen binnen op een koele plek.
Geef varkens een baal stro en ze maken hun eigen bed op. Vooral ’s winters kruipen ze daar helemaal in weg. Hoe kouder het is, hoe dichter ze tegen elkaar aan liggen. Liggend onder een dikke laag stro, maken ze zichzelf onzichtbaar. Je hoort ze nog wel ademen, snurken soms. Er zijn ook varkens die fluiten in hun slaap. Maar als je zeker wilt weten of ze nog leven, rammel dan even met de voerbak. Dan steken ze hun kop uit het stro en komen ze tevoorschijn. Eten is namelijk nog net iets belangrijker dan slapen.

Wroeten

Niet alle, maar wel bijna alle varkens hebben een onbedwingbare neiging tot wroeten. Vroeger zetten boeren varkens in op niet gecultiveerde grond. Als er een stuk moestuin bij moest komen of een stukje weiland moest worden omgeploegd, dan lieten ze er een paar varkens op los. Die prachtige, sterke en ook gevoelige wroetschijf hebben ze immers niet voor niets. Binnen de kortste keren staat er geen grasspriet meer overeind.

Varkens die onder semi-natuurlijke omstandigheden de ruimte krijgen, besteden ongeveer de helft van de dag aan het zoeken van voedsel en nog eens een kwart aan het verkennen van hun omgeving. Dat doen ze hoofdzakelijk met hun neus en mond. Ze spitten de grond om en doen zich te goed aan wortels, knollen en insecten. Als ze iets nieuws verwachten, gaan ze meer wroeten. Hoe belangrijk dit gedrag is, blijkt wel uit de frustraties die ontstaan als varkens niet kunnen wroeten. Dan gaan ze elkaar bijten.

Het wroeten doen ze niet alleen omdat ze honger hebben. Zelfs met een volle buik blijven varkens wroeten. Ze tasten op die manier ook af waar ze een geschikte ligplaats kunnen vinden of materiaal waarmee ze een nest kunnen maken. Sommige varkenshouders proberen het wroeten te voorkomen door varkens een ring in de neus te doen. Bij zeugen mag dat niet. Bij beren wel, mits het gebeurt met het oog op de veiligheid van mens of dier; het dier wordt gehouden of aantoonbaar bestemd is voor de fokkerij; er sprake is van een houderijsysteem met vrije uitloop. Achtergrond van deze wettelijke regeling is dat de integriteit van het dier niet mag worden aangetast en dat dieren hun natuurlijke gedrag moeten kunnen vertonen.

Zich voortplanten

De voortplanting verloopt bij tamme varkens een beetje anders dan bij wilde zwijnen. Wilde zwijnen hebben een bronstperiode aan het einde van de herfst en het begin winter. Tamme zeugen kunnen het hele jaar door bevrucht worden. Zij zijn om de drie weken bronstig of berig, en dat gedurende drie dagen. Die berigheid is bij zeugen goed te zien. Ze vertoont dan de zogeheten sta-reflex. Dat betekent dat de zeug niet meer wegloopt als de beer haar wil bespringen.

Contact met de beer bevordert de berigheid. Hoe meer hij stinkt, schuimbekt en kwijlt, hoe beter het is. Tocht en een te lage of te hoge temperatuur is niet bevorderlijk voor de berigheid. Wel bevorderlijk is licht, evenals goede voeding.  Met voorspel en paring zijn de varkens wel een half uur zoet. Als de bevruchting is gelukt, werpt de zeug na ‘drie maanden, drie weken en drie dagen’ een toompje biggen. Wilde zwijnen zonderen zich af van de rotte en werpen hun ‘frislingen’ in een speciaal daarvoor gebouwd nest. Een gedomesticeerde zeug vertoont als ze de kans krijgt hetzelfde gedrag. Enkele uren voordat ze gaat werpen, zal ze een nest maken van stro en ander zacht materiaal. De geboorte van de biggen laat dan niet lang meer op zich wachten.

Wilde zwijnen werpen vier tot zeven frislingen. Bij productievarkens zijn de worpen in omvang sterk toegenomen, tot meer dan twintig biggen. Hobbyvarkens werpen tussen de vier en veertien biggen. De geboorte duurt doorgaans drie tot vier uur in totaal. Tussen de geboorte van de afzonderlijke biggen zit meestal ongeveer een kwartier. Heftig gezwaai met de zeugenstaart kondigt de volgende big aan.

Aan de binnenkant van de voorpoten van de zeug zit een geurklier. Deze verspreidt de nestgeur. Als de biggen geboren zijn, wijst de geurklier ze de weg naar de tepels. De biggen nemen de geur van de moeder aan en daardoor kunnen ze herkend worden door de eigen moeder, maar ook door de andere zeugen: ‘’dat is er niet een van mij.’’

Veiligheid

Stadse mensen, maar ook bewoners van het platteland, verzinnen van alles om het volk te vermaken. Zo kwam de stichting Rotterdamse Oogst – een organisatie die reclame maakt voor streekproducten – nog niet zo lang geleden met het plan de Rotterdamse dakendagen op te luisteren met twee varkens op een dak. Dat zou deze dieren dichter bij de mensen brengen. Het protest liet niet lang op zich wachten; het argument van de bezwaarmakers was opvallend: varkens hebben last van hoogtevrees.

Aangezien varkens geen scherp gezichtsvermogen hebben en vooral vertrouwen op hun gehoor en reukorgaan, zullen ze niet gauw gillend weglopen van de rand van een dak. Ze zullen eerder het hekwerk testen, met alle gevolgen van dien. Daarom kunnen ze maar beter op de grond worden gehouden, daar zijn de gevaren in elk geval gering en creëren ze, als ze de kans krijgen, een rustplaats of ‘ketel’, waar ze zich veilig kunnen terugtrekken. Vaak is een uitholling in de bodem, bedekt met wat takken voldoende. Gehouden varkens zijn al gauw tevreden als er in een open ruimte een hutje staat met wat stro. 

Varkens in Nederland hebben weinig te vrezen. Althans de scharelvarkens. Wilde zwijnen moeten beducht zijn voor jagers, maar voor de varkens die op een stuk land worden gehouden, vormt eigenlijk alleen het verkeer een bedreiging. Een ‘’varkensproof’’ afrastering voorkomt dat ze de weg op gaan. Stalen buizen verankerd in betonnen palen krijgen ze moeilijk van hun plek. Maar het oog wil ook wat. Bovendien scharrelen varkens vaak op een groot terrein en dan wordt zo’n robuuste omheining een kostbare aangelegenheid. Een elektrische afrastering is in dat geval een goed alternatief. Varkens hebben als voordeel dat ze slim zijn en snel leren. Zo komen ze er gauw genoeg achter dat een stroomdraad niet iets is om aan te raken. Drie staaldraden of twee draden met een koord houden niet alleen de varkens binnenboord, maar zorgen er ook voor dat ze geen bezoek krijgen van honden. Wie in het buitengebied contact met wilde zwijnen wil vermijden, zal wellicht kiezen voor een dubbele omheining van gaas en meerdere staaldraden.

Een schone leefomgeving

In Nederland zijn varkenshouders na de uitbraak van klassieke varkenspest in 1997 en 1998 helemaal gefixeerd op het voorkomen van de insleep van dierziekten. Geen mens komt de stal nog in zonder voorzorgsmaatregelen. De varkens zouden gevaccineerd kunnen worden, maar daar zien de varkenshouders vanaf omdat dan de export van varkensvlees in gevaar komt.

Erg schoon is het in een varkensstal overigens niet. De dieren leven er op roosters waar een hoop mest aan blijft kleven. Het is een omgeving waar bacteriën welig tieren. Op vrijwel alle bedrijven zijn de varkens besmet met een salmonellabacterie. Varkens worden daar zelf niet erg ziek van, mensen die het vlees eten wel. Om de hygiëne te verbeteren wordt in de industrie geëxperimenteerd met zogeheten varkenstoiletten, een speciale plek in de stal waar de varkens met meerdere tegelijk kunnen mesten. De varkens gaan niet uit zichzelf naar het door mensen bedachte toilet, dat moet gestimuleerd worden. Wanneer varkens op het toilet hun behoefte doen, krijgen ze een beloning.

Van zichzelf zijn varkens schone dieren. Zindelijk ook. Ze doen hun behoefte bij voorkeur op enige afstand van hun verblijfplaats. Een varken dat de ruimte heeft, maar desondanks in z’n eigen mest ligt, is ziek. Soms kiezen varkens wel een andere toilethoek dan hun verzorger in gedachten heeft. Vooral bij slecht weer. Dan gaan ze niet graag naar buiten en zoeken ze binnen een hoekje waar ze hun behoefte kunnen doen.

Maar over het algemeen hebben varkens hun hok of stal graag netjes op orde. Dat is vooral te merken als het varkenshok is schoongemaakt en ze een baal stro krijgen om hun verblijf opnieuw in te richten. Ze zijn daar dan een flinke tijd zoet mee, nemen plukken stro in hun bek en leggen het daar neer waar ze het graag willen hebben.

Onderzoeken

Varkens proberen werkelijk alles uit. Laat ze eten uit een voerbak die niet stevig genoeg aan de muur of de grond is bevestigd en binnen de kortste keren klinkt er een oorverdovend kabaal. Vervolgens gaan ze met de bak aan de haal. Gewoon voor de lol. Zo vergaat het ook bezems, strobalen, kruiwagens. Niets is veilig. Overal steekt een varken z’n neus in of onder. Varkens zijn onderzoekers. Ze willen weten wat ze met een voorwerp kunnen doen, wat er achter een hekwerk zit, of ze beweging kunnen krijgen in een paal of ketting. Varkens hebben graag iets te doen. Veel plezier beleven ze aan een spelletje dat ze nog niet kennen. Als ze niet kunnen onderzoeken, gaan zich vervelen. Ze bijten in elkaars staart of oren.

Videospelletjes

Varkens leren videospelletjes net zo snel als chimpansees. Met hun snuit kunnen ze de joystick bedienen en snappen ze al heel gauw dat er een relatie is tussen wat ze doen en wat ze zien gebeuren op een beeldscherm. Het onderzoek is uitgevoerd door twee Amerkanen – Candace Croney, gespecialiseerd in dierengedrag en Sarah Boysen, expert op het gebied van cognitie bij chimpansees. Als ”bijvangst” van het onderzoek, dat zich vooral richtte op het leervermogen van de varkens, ontdekten ze onderzoekers dat niet alleen voedsel werkt als beloning. Ook het contact met de onderzoekers bleek voor de varkens een motivatie om aan het onderzoek mee te doen. 

Pig chase

Nederlandse kunstenaars en wetenschappers hebben samen een computerspelletje ontwikkeld voor varkens én mensen: ‘Pig Chase’. Dit spel stelt varkens in staat via lichteffecten geprojecteerd op een muur, te communiceren met een mens die de lichteffecten teweegbrengt met behulp van een computer. Met een computergame kan spelenderwijs worden onderzocht wat voor varkens interessante afleiding is en welke rol de mens daarbij kan spelen.

Op ontdekkingstocht

Nieuwsgierig als ze zijn, gaan varkens graag op ontdekkingstocht. Daarbij gaat het niet alleen om het vinden van voedsel, maar ook van een geschikte ligplaats. Als ze de kans krijgen leggen ze grote afstanden af. Omdat ze over een goed richtingsgevoel beschikken, zullen ze niet gauw verdwalen. Varkens zien slecht, maar kunnen uitstekend horen en ruiken. Hun gehoorsafstand bedraagt zo’n vijftig meter. Geuren herkennen ze vanaf wel driehonderd meter. Dankzij die goed ontwikkelde zintuigen kunnen ze zich prima oriënteren.

Laat varkens één keer iets doen en ze weten het voor de rest van hun leven. Anders dan andere dieren die steeds maar weer moeten oefenen om iets echt te leren, kunnen varkens na één oefening precies doen wat er van ze verwacht wordt, mits er na die ene oefening maar een beloning volgt.

Varkens zijn niet alleen snelle leerlingen, ze kunnen ook veel verschillende dingen aanleren, zoals gaan zitten voor hun eten of rondjes om hun as draaien, iets ophalen en afgeven, commando’s opvolgen. Objecten waarmee ze ooit iets hebben gedaan, kunnen ze drie jaar later nog herkennen. Ze zijn bovendien in staat om onderscheid te maken op basis van kleur en geur. Het mooiste is nog dat ze dit allemaal kunnen zonder enige instructie te krijgen, maar simpel door ze zelf uit te laten zoeken wat er van ze verwacht wordt.

Hokverrijking bij varkens als zoethoudertje

Zogeheten hokverrijking is sinds 2003 wettelijk voorgeschreven via EU-regelgeving. Een dergelijk voorschrift verandert echter niets aan de wijze waarop varkens worden gehouden. Varkenshouders zijn slechts verplicht in de hokken materiaal aan varkens aan te bieden dat tegemoet komt aan hun behoefte om te onderzoeken en te wroeten. Onderzoek ontbreekt naar de vraag of varkens aangeboden materialen waarderen.
”Hokverrijking” is niet veel meer dan een zoethoudertje. Aan de overige essentiële behoeften, zoals bewegen, voldoende ruimte en een lekker leefklimaat, wordt door de overgrote meerderheid van de commerciële varkenshouders nog altijd niet tegemoet gekomen. De NVWA controleert de voorgeschreven ”hokverrijking” aan de hand van negen criteria. Het materiaal (bijvoorbeeld hooi, een stuk hout, touw, zaagsel, een jute zak) moet veilig zijn, vernieuwend, eetbaar, bereikbaar, kauwbaar, beschikbaar, wroetbaar, schoon en afbreekbaar.