Er is een verschil tussen de aantasting van dierenwelzijn, het schenden van de integriteit van een dier en dierenmishandeling. Maar waar ligt de scheidslijn? En wat is daarbij het verschil tussen gehouden en niet-gehouden dieren? In dit artikel ga ik proberen dat uit te leggen.
Voor de meesten van ons is het wel duidelijk: een hond schoppen of slaan, dat is dierenmishandeling. Net als het prikken van varkens met stroomstootapparatuur. Of het verwaarlozen van pony’s, door ze geen eten of water te geven. Maar hoe zit het met het in de volle zon weiden van koeien, het onthoornen van geiten, het overboord kieperen van gewonde vissen, het gebruik van bitten bij paarden, een konijn alleen in een hok? En wat te denken van het verzuipen van een slak in een pot met bier?
Honderd jaar tussen ophef over hondenkar en verbod
Wetten en regels zijn niet altijd even duidelijk. Lange tijd was het lastig, zo niet onmogelijk om mensen die zich schuldig maakten aan dierenmishandeling te beboeten of voor de rechter te brengen. Belangrijk te weten: in 1864 is in Den Haag de vereniging tot bescherming van dieren opgericht, met als belangrijkste inzet de strijd tegen de hondenkar. Het gebruik van die kar werd door de ”gegoede burgerij” beschouwd als dierenmishandeling.
Het zou maar liefst honderd jaar duren voordat de hondenkar definitief op de schoothoop belandde. Het gebruik van honden als trekkracht staat nog altijd als een van de weinige verboden handelingen expliciet genoemd in de hedendaagse versie van de Wet dieren. Alsof iemand het nog in z’n hoofd zou halen een hond een tuig om te doen en daar een kar aan vast te binden. Hoewel? Wat is het verschil tussen een hondenkar en een bokkenwagen, of een aanspanning van paarden die vervolgens met grote snelheid over een parcours worden gejaagd?

Tradities
In 1886 braken er in de Amsterdamse Jordaan rellen uit omdat de politie het verboden volksvermaak ”palingtrekken” wilde verhinderen. Er vielen 26 doden. Het oproer had met meer te maken dan alleen het verbod op een zogeheten kwelspel. Het broeide al een tijdje tussen volk en elite. Emoties kunnen hoog oplopen als tradities dreigen te verdwijnen, daar worden we nog geregeld aan herinnerd.
Tegenwoordig wordt al gauw de kaart van ”cultureel erfgoed” getrokken om het volk te beschermen tegen optreden door de overheid. Ondanks aandringen van dierenbeschermers, laten de autoriteiten het na om in te grijpen bij evenementen die gepaard gaan met dierenmishandeling. Denk aan het ganstrekken in het Limburgse Grevenbicht. Deze vorm van volksvermaak kon lang stand houden. Dankzij een verbod op het zelf doden van ganzen, moest de organisatie een alternatief bedenken. Sinds 2019 trekken de Grevenbichters met carnaval aan een kunstgans. Je zou wensen dat er voor de haan van Kallemooi een vergelijkbare oplossing komt. Voorlopig is aan de jaarlijks terugkerende mishandeling van dit dier op Schiermonnikoog nog geen einde gekomen.
Vage scheidslijn tussen aantasting welzijn en dierenmishandeling
Dierenmishandeling, zelfs de meest ernstige vormen daarvan, is een hardnekkig fenomeen. Toch is er sinds het einde van de negentiende eeuw wel het een en ander veranderd. Werd dierenmishandeling vroeger veelal beschouwd als vorm van zedenverruwing, als zedendelict, nu wordt er vooral naar het dier/de dieren zelf gekeken.
Het begrip dierenmishandeling heeft ook een grotere reikwijdte gekregen. Niet alleen activisten vinden dat bij een structurele aantasting van het welzijn van dieren in de intensieve veehouderij – zoals het onverdoofd afbranden van biggenstaarten – sprake is van dierenmishandeling. Wat we vroeger heel normaal vonden, daarvan wordt nu aangifte gedaan. Wat we vroeger negeerden, ligt nu onder een vergrootglas. Extreme gevallen van dierenmishandeling leiden veelal tot ophef, in de maatschappij en in de politiek. Er kwam zelfs een meldpunt: 144.
De scheidslijn tussen aantasting van dierenwelzijn en dierenmishandeling is lang niet altijd even scherp. Begaat iemand die zijn konijn niet de nodige zorg geeft of zijn konijn alleen in een hok houdt, een overtreding van het Besluit Houders van Dieren? Is in dat geval een boete op zijn plaats? Hoe omvangrijk en ingrijpend moet de welzijnsaantasting zijn, dat er gesproken kan worden van een misdrijf? Er komt lang niet altijd een (straf)rechter aan te pas om daar een uitspraak over te doen. Dat betekent niet alleen dat daders onbestraft blijven, maar ook dat er onvoldoende jurisprudentie ontstaat.
Wet dieren
Er is sinds 2013 een Wet dieren van kracht, opvolger van onder meer de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren uit 1992. De Wet dieren is een zogeheten kaderwet. De bepalingen in deze wet zijn uitgewerkt in zogeheten algemene maatregelen van bestuur (amvb’s), zoals het Besluit Houders van Dieren. Daarin staan aanvullende regels over dierenmishandeling en specifieke regels voor het houden gezelschapsdieren en van landbouwhuisdieren (runderen, varkens, kippen).
In de wet zelf staat een zorgplicht vermeld. Die houdt in ”dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor dieren worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Redelijk doel
Dit soort omslachtige teksten zijn kenmerkend voor de Wet dieren. Ze komen voort uit het gegeven dat we in ons land te maken hebben met een omvangrijke intensieve veehouderij. Aantasting van het welzijn van dieren is inherent aan deze veehouderij. Daaraan een einde maken, betekent het einde van de intensieve veehouderij.
Aanleidingen genoeg: er doen zich geregeld ernstige incidenten voor en zodra die in de openbaarheid komen, gaat de NVWA wel over tot handhaving. Maar betere wetten maken om structurele aantasting van welzijn aan te pakken blijkt keer op keer vrijwel onmogelijk, want niet gewenst door vertegenwoordigers van de veehouderij. Hun politieke invloed is groot.
In de Wet dieren staat daardoor al jaren een bepaling die ingrijpen bemoeilijkt. Artikel 2.1 luidt: ”Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.” Deze bepaling is rechtstreeks afkomstig uit de Gezondheids- en welzijnswet voor Dieren van 1992. In diezelfde wet stond ook voor het eerst dat dieren een ”intrinsieke waarde” hebben – hetgeen pleit een onafhankelijke beoordeling van welzijn – maar dat blijkt nog altijd van weinig betekenis.
Open normen
Pogingen van de Tweede Kamer om aan deze vaagheid een einde te maken, zijn vooralsnog gestrand. Wel is onlangs een artikel over dierwaardige veehouderij aan de Wet dieren toegevoegd. Om die dierwaardige veehouderij in 2040 te realiseren komen er nadere regels voor bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren. Ook wordt er gewerkt aan een invulling van zogeheten ”open normen”; die maken het mogelijk dat vee- en dierhouders kunnen heel ver kunnen gaan voordat er een proces-verbaal wordt opgemaakt. Iets waar niet alleen Dierenbeschermingsorganisaties, maar ook de handhavende instantie NVWA veelvuldig tegen in het geweer komen.
De NVWA heeft op 26 september 2024 een helder standpunt gepresenteerd bij een hoorzitting over transport van dieren in de Tweede Kamer:
”Om effectief en doelmatig toezicht te houden heeft de NVWA handhaafbare, uitvoerbare en fraudebestendige regelgeving nodig. Dat betekent onder meer dat normen zo geformuleerd moeten worden dat voor iedereen duidelijk is wat van hen verwacht wordt en dus helder is wanneer de wet wel en niet nageleefd wordt. Daarnaast is van belang dat normen zo concreet mogelijk geformuleerd worden en dat ze ook daadwerkelijk leiden tot het voorkomen van — in dit geval onder andere — welzijnsproblemen.”
Veel gevallen van aantasting van dierenwelzijn blijven onbestraft, gevallen van ernstige verwaarlozing voor de rechter leiden echter niet zelden tot een veroordeling. Maar de hoeveelheid tijd die dat in beslag neemt is vaak aanzienlijk. Hieronder een voorbeeld uit de praktijk.
EEN RUIM VIER JAAR DURENDE SCHAPENHORROR
Minstens vier jaar lang heeft er zich in het Groene Hart van Nederland een ongekende schapenhorror kunnen afspelen, veroorzaakt door een handelaar (man en vrouw, echtpaar) in afgekeurde dieren. WOO-documenten - vrijgegeven eind 2023 - laten een aaneenschakeling van gruwelijke beelden zien van kadavers in de wei en in de sloot, slecht verzorgde schapen en volgepropte hokken.
De ernstige verwaarlozing heeft zo lang kunnen aanhouden, doordat de NVWA niet ingreep. Een reeks waarschuwingsbrieven, herstelbrieven, rapporten van bevindingen en processen verbaal tonen de onmacht van deze controlerende instantie. Pas in december 2022 komt er eindelijk een dierenarts van de NVWA aan te pas. Deze brengt een rapport uit met een niet mis te verstane opsomming van aanhoudende misstanden bij de schapenhouder. Eind januari 2023 wordt er een strafrechtelijke procedure tegen de schapenhouder in gang gezet. Drie hercontroles in maart en juni van 2023 hebben, zo blijkt uit de stukken, geen nieuwe misstanden aan het licht gebracht. Maar volgens berichten in de media zou er nog geen einde zijn gekomen aan de lijdensweg die de schapen bij deze handelaar te wachten staat.
NVWA langdurig doof voor alarmbellen
De bijna 700 pagina’s aan WOO-documenten vertellen het verhaal van vreselijk schapenleed. Het is niet te bevatten hoe iemand ondanks waarschuwingen zo slecht voor zijn dieren kan zorgen. Minstens zo onbegrijpelijk is het dat de NVWA na talrijke meldingen en talrijke inspecties langdurig doof blijft voor de vele alarmbellen die bijna aanhoudend rinkelen. Misschien komt het doordat de focus sterk ligt op de wijze waarop de schapenhouder omgaat met dode dieren. De kadavers worden niet volgens de regels verwerkt, constateert de NVWA bij herhaling. Sommige dieren hebben geen oormerk in, wordt eveneens gesignaleerd. Er is wel oog voor de toestand waarin de schapen verkeren, maar de vieze konten, vermagering, kreupelheid, verschijnselen van schurft en het gebrek aan voer - dat alles is kennelijk geen reden om in te grijpen. Slechts één keer (in 2019) wordt er gerept over een dwangsom vanwege ondeugdelijk hekwerk, waardoor schapen geregeld ontsnappen.
Toezichthouders sluiten vrijwel elk rapport af met: ‘’Een dier dat wordt gehouden in een veehouderijsysteem waar het welzijn afhangt van de frequente verzorging door de mens, wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd, zoals bedoeld in artikel 2.4 lid 2 van het Besluit houders van dieren onder hoofdstuk 2.’’ Maar daar blijft het bij. Als in 2021 aan het licht komt dat er dat jaar al 170 schapen zijn doodgegaan - de schapenhouder heeft geregeld meer dan 800 dieren - signaleert de NVWA dat er sprake is van een hoog sterftepercentage en ook van het onthouden van de nodige zorg aan zieke dieren, maar het leidt ‘’slechts’’ tot een proces verbaal. Zelfs de vondst van een aantal schapen die meerdere dagen verstrikt zitten in bramenstruiken, doet de NVWA niet besluiten om tot zwaardere maatregelen over te gaan.
Dat gebeurt pas in januari 2023, nadat een dierenarts van de NVWA medio december 2022 een rapport schrijft over de erbarmelijke omstandigheden waaronder hij 53 zwaar ondervoede, zieke schapen had aangetroffen, alsmede acht kadavers. De dierenarts stelt vast dat hij te maken heeft met een dierhouder ‘’die niet over voldoende verantwoordelijkheid beschikt om zijn dieren optimaal te verzorgen.’’ En: ‘’de houder heeft de dieren de nodige verzorging onthouden.’’ De schapen moeten onmiddellijk worden overgebracht naar een stal. Inbeslagname vindt de dierenarts niet noodzakelijk. De schapen zijn in zijn ogen nog te redden. Maar de zaak wordt wel aanhangig gemaakt bij het functioneel parket in Rotterdam, onderdeel van het Openbaar Ministerie. Een strafrechtelijk onderzoek kan beginnen. Dat leidde uiteindelijk in april 2024 tot een houdverbod (over de mogelijkheden van een houdverbod, zie hieronder).
Bron: Levende Have/Jinke Hesterman
Nieuwe wetgeving met houdverbod maakt betere aanpak dierenmishandeling mogelijk
Sinds kort is het wel mogelijk sneller en beter in te grijpen. Vanaf 1 januari 2024 is de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet dieren van kracht. De wetswijziging moet ”het bestaande instrumentarium voor de opsporing, vervolging en bestuursrechtelijke sanctionering van dierenmishandeling, dierverwaarlozing en bepalingen betreffende dierenwelzijn en diergezondheid versterken en aanvullen”.
Belangrijk onderdeel is de wijziging van het Wetboek voor strafvordering, waardoor de rechter een zogeheten houdverbod kan opleggen. Bij ernstige mishandeling is een levenslang houdverbod mogelijk. Na de inwerkingtreding van de wet blijkt dat de rechter hiervan al enkele keren gebruik heeft gemaakt. Ook zijn er strengere straffen voor dierenmishandeling en dierenverwaarlozing gekomen.
Minder ernstige vormen van mishandeling
Minder ernstige vormen van mishandeling kunnen tegenwoordig eveneens rekenen op meer handhaving, vaak na jaren van gedogen. Voorbeeld is het verbod op het couperen van staarten van paarden (meest trekpaarden), een pijnlijke amputatie, nergens voor nodig. Fokkers vinden een paard zonder staart mooier en trekken zich langdurig niets aan van het verbod dat al sinds 2001 geldt. Ze gaan hun gang omdat de wet ruimte biedt voor ingrepen bij dieren op medische gronden. Er voltrekt zich een geijkt patroon van geitenpaadjes, gedogen door de overheid, proberen afspraken te maken, vertrouwen op zelfregulering.
Op shows en bij wedstrijden keert het paard zonder staart steeds terug. Totdat er in 2016 door toenmalig staatssecretaris van landbouw Martijn Van Dam een handhavingstraject met dwangsommen wordt aangekondigd. In 2018 meldt minister van landbouw Carola Schouten het tentoonstellingsverbod te zullen aanscherpen. Er verschijnen nog steeds veulens zonder staart op wedstrijden.
Pas in december 2025 kwam er een algemene maatregel van bestuur (amvb) waarmee het Besluit Houders van Dieren en de Wet dieren wordt gewijzigd. Daarmee is een verbod op deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en keuringen door paarden die op of na 1 januari 2016 zijn geboren en waarbij de staart is gecoupeerd (gesproken wordt over het geheel of gedeeltelijk verwijderen van één of meer staartwervels), aan de Tweede en Eerste Kamer voorgelegd.
Niet-gehouden dieren, zoals vissen
Onlangs raakte ik op X verzeild in een discussie met een visser. Het ging over de gewoonte van vissers om niet-rendabele bijvangst – de zogeheten ”discards” – overboord te kieperen. Ik stond daar nooit zo bij stil als ik wel eens een menu lekkerbek bij mijn Amelandse vishandel Metz bestelde. Maar dankzij de visser ben ik me er toch eens in gaan verdiepen.
Europese regels schrijven voor dat vissers die vissen op schol en tong ook de niet-rendabele bijvangst moeten meenemen naar de wal. Dat is de zogeheten ”aanlandplicht”, bedoeld om voedselverspilling tegen te gaan. Veel vissers houden zich daar niet aan. Dat betekent concreet dat vissen die tijdens de vangst gewond zijn geraakt, terug de zee in gaan. Naar de gewonde vissen is (nog) niet specifiek onderzoek gedaan. Wel naar de overlevingskans van ondermaatse vis. En die is erg laag, tussen de 10 en 20%.
Uit onderzoek naar de overleving van ondermaatse schol, tong en schar aan boord van de pulsvisserij blijkt dat het grootste gedeelte van de vissen sterft in de eerste vijf tot zeven dagen nadat ze aan boord zijn gebracht. ”Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door slijmlaagverlies, zuurstofgebrek, of verwondingen die ze hebben opgelopen tijdens het vangst en verwerkingsproces. Een ander deel sterft enkele dagen later alsnog, door infecties aan wondjes op de huid en aan de schubben en kneuzingen.” (Bron: WUR, Q&A Europese aanlandplicht visserij).
Gewonde vissen lijden
In mijn ogen lijden de gewonde vissen door toedoen van de vissers en hun vangstmethoden.
Er zijn twee manieren om hiernaar te kijken:
- wordt er een wet overtreden?
- is er sprake van een vorm van dierenmishandeling of verwaarlozing die (nog) niet wettelijk strafbaar is, maar die wel in strijd is met een maatschappelijke norm?
Om die eerste vraag te beantwoorden moeten we weten of het om gehouden of niet-gehouden dieren gaat. Voor de eerste categorie geldt (volgens de Wet dieren) een zorgplicht, voor de tweede een afblijfplicht (Flora- en faunawet). Dat zijn twee tegenstrijdige principes.
De visser die ik sprak ziet de discards als biomassa. Hij vindt dat hij en zijn collega’s er goed aan doen om deze overboord te gooien. Andere zeedieren kunnen zich ermee voeden. Hij vindt overigens wel dat de niet-rendabele bijvangst zoveel mogelijk beperkt moet worden. Dat is volgens hem vooral een technisch vraagstuk. Uit zijn opmerkingen blijkt dat de gewonde vissen in zijn netten op het moment dat hij deze aan boord haalt, wat hem betreft geen gehouden dieren zijn. Hij neigt meer naar afblijven in plaats van zorgen. Hoewel zijn opmerking over het beperken van de niet-rendabele bijvangst met behulp van technieken wel duidt op enig ongemak.
Terecht, want in artikel 2 van de Flora- en faunawet staat: “eenieder die door zijn handelen nadelige gevolgen bij het dier veroorzaakt, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken”.
Dit betekent dat de visser toch een zorgplicht heeft.
Zienswijze ”Zorgplicht natuurlijk gewogen”
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) heeft in 2012 een zienswijze uitgebracht over een mogelijke zorgplicht voor niet-gehouden dieren. Aanleiding vormde een hele andere kwestie, namelijk die van de semi-wilde dieren, en dan met name de paarden en runderen, in het natuurgebied Oostvaardersplassen.
”De huidige juridische verdeling in gehouden en niet-gehouden dieren voorziet niet in een tussencategorie”, stelt de RDA vast. ”Dat wringt: zo laten maatschappelijke discussies en politieke debatten zien dat een afblijfplicht voor niet-gehouden dieren in een afgegrensde leefomgeving niet meer past bij onze huidige maatschappelijke waarden en normen. Een heroverweging van de categorieën waarin we dieren indelen en een nadere duiding van onze verantwoordelijkheden en rollen ten opzichte van die verschillende categorieën dieren is dus aan de orde.”
De Raad vindt dat de zorgplicht niet alleen inhoudt dat je geen dingen doet met dieren die schade veroorzaken of maatregelen treft die deze schade ongedaan maken. Daar hoort ook het afleggen van verantwoording bij. Dat geldt zeker voor die dieren die wij de juridische status res nullius *) hebben toegedicht: dit beantwoordt aan de huidige maatschappelijke opvatting dat deze dieren van niemand persoonlijk zijn en – daarmee – van ons allemaal, aldus de RDA.
Afwegingskader
De zienswijze is relevant voor de over boord gegooide vissen. Er staat een afwegingskader in dat bruikbaar is voor de visser die ik sprak. Essentieel zijn de opvattingen over het tweede onderdeel: zijn interventiemaatregelen (technisch) uitvoerbaar/mogelijk?

Ander handvat voor de vissers is te vinden in de gedragscode voor sportvissers. De brochure verstandig sportvissen bevat een hoofdstuk ”Respect voor de vis”. Daarin veel aandacht voor het terugzetten van gevangen vis en het voorkomen van beschadigingen: ”Ernstig beschadigde vis dient terstond te worden gedood”.
In het Vissenmanifest van Compassion in Worldfarming, Vissenbescherming en Dierenbescherming wordt veel aandacht besteed aan een verbetering van vangstmethoden en het doden van vissen. Wie denkt dat het bij vis met een keurmerk of bij biologische vis wel goed zit met het welzijn, vergist zich. Er bestaan geen criteria voor vissenwelzijn. Dit terwijl uit onderzoek in 2018 al is gebleken dat 69% van de Nederlanders wil dat het welzijn van vissen beter wordt beschermd.
*) Res nullius is een roerende zaak die aan niemand toebehoort. Wie deze in bezit neemt, verkrijgt daarvan het eigendom (Wikipedia).