
Een geringe krimp van de veestapel zet een rem op de transitie naar een dierwaardige veehouderij. Als er minder dieren worden gehouden, leidt dat in de intensieve veehouderij tot hogere opbrengsten bij bedrijven die niet inleveren. De praktijk wijst uit dat die opbrengsten niet gaan naar investeringen in dierenwelzijn. Boeren kopen grond.
Niet alleen de varkenshouders (half miljoen euro inkomen op jaarbasis is geen uitzondering), ook de pluimveehouders komen om in het geld. Met dank aan historisch hoge eierprijzen. Gevolg van onder meer vogelgriep. Mooi moment om de bakens te verzetten. Maar nee, beleggen in vastgoed lijkt ze een beter idee. De grondprijzen rijzen de pan uit, vooral in het zuiden van het land, signaleert nieuweoogst.nl. Er worden recordbedragen genoemd tot boven een ton per hectare.
Nieuweoogst.nl laat Frank Steenbreker, senior agrarisch bedrijfsadviseur varkens bij Abab aan het woord. ‘Veel varkenshouders maken met hun bedrijfsontwikkeling een pas op de plaats’, zegt hij. ‘Ze krijgen geen vergunning voor uitbreiding, zien dat de beschikbaarheid van personeel beperkt is, maar hebben nu wel volop middelen. Naast investeringen in onroerend goed, zie je dat varkenshouders zich op de grondmarkt roeren.’
Mestoverschot
De aankoop van grond is gunstig voor de intensieve veehouders. Ze kunnen hun mest erop kwijt. De grond is dus dienstbaar aan hun huidige bedrijfsmodel, dat vast dreigde te lopen door hoge kosten vanwege een mestoverschot. Dankzij de grond hoeven ze niet te krimpen, ze kunnen door. Op de aangekochte grond kunnen ze bovendien veevoer verbouwen. Mooi meegenomen in tijden van stijgende grondstoffenprijzen.
Het aantal varkens is in 2022 gedaald van 11,5 naar 11,3 miljoen. In 2015 waren het er nog 12,6 miljoen. In 2023 daalde het aantal varkens verder: naar 10,93 miljoen. In 2025 kwam het aantal uit onder de 10 miljoen. Dit aantal is sinds midden jaren tachtig van de vorige eeuw niet meer voorgekomen. Er is grotendeels sprake van een gesubsidieerde krimp. Die krimp laat de resterende bedrijven ongemoeid. Ze profiteren ervan door hogere prijzen.
En als ze een extra afzetmarkt nodig hebben, dan kunnen ze terecht in California, Verenigde Staten. Omdat deze staat sinds kort hogere eisen stelt aan dierenwelzijn, kan slachterij Vion daar Nederlands varkensvlees slijten. Een nieuwe wet vereist 2,23 m2 per zeug (zonder biggen). De Amerikaanse varkenshouders kunnen daar niet aan voldoen. In de Nederlandse gangbare varkenshouderij heeft een zeug twee vierkante centimeter meer tot haar beschikking.
Krimp in buitenland
In de Nederlandse pluimveehouderij is een ander proces gaande. Daar wordt vooral geprofiteerd van krimp in het buitenland, onder meer ten gevolge van de vogelgriep en strenge milieuregels in Duitsland. Het aantal Nederlandse leghennen bijvoorbeeld is sinds recordjaar 2016 met 36,5 miljoen dieren in 2022 gedaald naar rond de 33 miljoen. Sinds 2000 is het aantal leghennenbedrijven meer dan gehalveerd: van ruim 2000 naar ruim 700. Het gemiddeld aantal dieren per bedrijf is dus flink gestegen, naar 45.000. Bron: Agrimatie
Pluimveeweb.nl maakt begin april 2024 melding van een rooskleurige eiermarkt. Pluimveehouders zien dat collega’s stoppen en dat betekent hogere prijzen door een verminderd aanbod. De prijzen liggen al geruime tijd op recordhoogte en doen sterk denken aan wat de eieren tijdens de fipronilcrisis opbrachten: 0,135 euro per stuk. De stijging zet door: in februari 2026 brengt een bruin scharrelei 0,19 euro op, mede als gevolg van de heersende vogelgriep.
Het huidige verdienmodel is té goed
Zo bezien is een beetje krimp (van 10% tot 20%) zeer lucratief voor de bedrijven die geen dieren inleveren en zelfs nog enigszins weten uit te breiden. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat een transitie naar een dierwaardige veehouderij voorlopig geen kans maakt. Het huidige verdienmodel is té goed. Zeker, de vertegenwoordigers van de intensieve veehouderij denken en praten mee, maar op het moment dat veranderingen geld kosten, houden ze hun hand op. Dieren inleveren, zonder compensatie voor de huidige opbrengsten, is ondenkbaar. De varkens- en pluimveeboeren willen garanties, erop achteruit gaan is geen optie. Aan Max Verstappen vraag je op het moment van de zoveelste overwinning toch ook niet om in een kleiner, minder vervuilend racemonster te gaan rijden?
Hoge grondprijzen hinderen extensivering
De Raad voor de Leefomgeving signaleert in het rapport Grond voor verbetering (2026) dat hoge grondprijzen een belemmering vormen voor natuur inclusieve en extensieve vormen van landbouw. Voor grootschalige, intensieve, hoogproductieve landbouwbedrijven kunnen ondanks de hoge prijzen van agrarische grond wel verduurzamen zijn investeringen sneller lonend. Zij kunnen intensiveren binnen hun marktgerichte verdienmodel waarin lage kosten centraal staan, aldus RLI. Tegenover natuur inclusieve landbouw staat volgens RLI onvoldoende financiële beloning. Voor deze vormen van landbouw zijn de hoge prijzen van agrarische grond een belemmering.
‘’License to produce’’ staat op het spel
En toch zijn er krachten gaande in de samenleving die aansturen op een volledig andere vorm van veehouderij in Nederland. Een veehouderij waarin de behoeften van het dier centraal staan. Vertegenwoordigers van de intensieve veehouderij weten dat hun ‘’license to produce’’ op het spel staat. Vanuit de Tweede Kamer zijn al diverse pogingen ondernomen om een einde te maken aan het in grote stallen huisvesten van enorme aantallen dieren, voor driekwart ten dienste van de export. De gevolgen voor milieu en volksgezondheid van de intensieve veehouderij zijn té groot.
Niet alleen de wijze waarop met dieren wordt omgegaan, ook het voeden van miljoenen productiedieren roept steeds meer weerstand op. De teelt van veevoer veroorzaakt wereldwijd grote schade aan biodiversiteit. De oorlog in Oekraïne heeft aan het licht gebracht dat op de zeer vruchtbare grond Chernozem giga-hoeveelheden granen voor varkens in Europa (Spanje, Turkije, Italië en Nederland) worden geteeld.
Stikstofaanpak werkt averechts
Maar de behoudende krachten in de veeindustrie (in Nederland, maar ook bijvoorbeeld in Duitsland) weten telkens weer met een tegenoffensief – bijvoorbeeld onder het mom van voedselzekerheid – hun bestaande productiewijzen en productievolumes te verdedigen. Een beetje krimp speelt hen in de kaart.
Dankzij uitkoopregelingen van de overheid, bedoeld om de stikstofuitstoot te verminderen, komen de blijvers steviger in het zadel te zitten. Meer ruimte voor de dieren? Prima, maar dan wel een vergunning voor grotere stallen graag, zo redeneren ze. Als boeren stoppen komt er meer tekort en komen er dus hogere prijzen, is een veelgehoorde gedachtengang sinds de stikstofmiljoenen richting de veehouderij vloeien. Dierplaatsen inleveren, de boel anders inrichten, dat zit niet in hun systeem. Het bestaande is té lucratief. Zowel in de melkveehouderij, de pluimveehouderij als de varkenshouderij.
Krimp volgens het dierwaardigheids-scenario
Niettemin houden de voorstanders van verdergaande krimp er de moed in. Dierenbescherming en Caring Farmers hebben laten uitrekenen wat er gebeurt als we stoppen met de import van grondstoffen voor veevoer. Het dierwaardigheids-scenario waarin al het veevoer in Nederland wordt geteeld, houdt een krimp in van
60% minder koeien,
88% minder varkens,
56% minder leghennen,
92% minder vleeskuikens.
Volgens dit scenario zullen er een kleine 16.000 melkveehouderijen overblijven en ruim vierduizend varkens- en pluimveehouderijen. In het dierwaardigheidsscenario halveert de omvang van de leghennenbedrijven. De vleeskalversector verdwijnt. De varkensstapel gaat terug naar 963.000 dieren in totaal. Het aantal vleeskuikens bedraagt nog slecht 10% van het huidige aantal. In 2040 wordt na een afronding van de transitie naar een dierwaardige veehouderij het aantal overgebleven veehouderijen geschat op zo’n 20.000 (tegen 26.932 nu). Dit zou betekenen dat 20.000 veehouders de omslag naar een dierwaardige veehouderij gaan mee- en doormaken. Per veehouderij zal in elk geval het aantal dieren drastisch afnemen.
Initiatieven van onderop
Aangezien we in een open economie leven en de vraag vanuit het buitenland nog altijd voor een groot deel bepaalt hoeveel veehouders hier produceren, zullen het de initiatieven van onderop moeten zijn die de omslag in gang zetten. ‘’Creatieve enkelingen lukt dat, met wonderbaarlijke werkkracht en optimisme’’, schrijft Sander Turnhout in De Groene. ‘’Veel boeren kunnen met omschakelen goed geld verdienen. Er zijn minder opbrengsten, maar ook minder lasten en meer maatschappelijke baten. Voor boer en burger is dat goed nieuws, maar ‘ketenpartijen’ zien hun geldbron opdrogen. Bij de LTO noemen ze het neerbuigend ’Ot en Sien-landbouw’. De ‘koploperboeren’ worden niet gesteund maar geëxcommuniceerd.’’
In dat neerkijken op en uitsluiten van boeren die zeggen zich prima te redden met 65 koeien, ligt het gelijk van de grootverdieners besloten. De overgrote meerderheid van de veehouders begint er niet aan. Geconfronteerd met wetgeving die ze dwingt om hun houderij aan te passen aan het dier, trekken ze alles uit de kast om veranderingen tegen te houden. En als ze dan al iets moeten, eisen ze garanties, zoals behoud van verdienmodel en zekerheid omtrent vergunningen en afzet van producten.
Lees ook Transitie naar dierwaardige veehouderij top down of bottom up?