Het houden van dieren in tijden van klimaatverandering

In het aangeharkte Nederland was de afgelopen eeuw volop ruimte voor het houden van vee. Door klimaatverandering zal het landoppervlak dat in het verleden geschikt was voor begrazing, vermoedelijk al in de nabije toekomst in omvang afnemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor commercieel, maar ook voor hobbymatig gehouden dieren, zoals paarden.

Het buitengebied van Nederland is op dit moment op zeer veel plaatsen niet ingericht op het houden van dieren in tijden van klimaatverandering. Vooral in agrarische gebieden met een hoge productie per hectare, doen zich nu al grote problemen voor. Een van de grootste problemen is hittestress bij dieren.

Bij het zoeken naar aanpassingen aan deze realiteit is het goed te beseffen dat de veehouderij niet alleen slachtoffer is van klimaatverandering, maar ook mede-veroorzaker.

Bodem en water

De helft van de landbouwbodems is verdicht. Deze gebieden blijken slecht bestand tegen extreme weersomstandigheden. Wat speelt is een combinatie van factoren:

bodemdegeneratie, -uitputting, -verdichting, -erosie;
verlies van biodiversiteit;
verslechtering van waterkwaliteit;
laag grondwaterpeil;
gebrek aan landschapselementen;
langdurig beregenen in tijden van droogte;
snel afvoeren van water in tijden van zware regenval.


Waar (een combinatie van) deze factoren aanwezig zijn, wordt het steeds lastiger om graasdieren, zoals paarden, runderen en schapen buiten te houden en van voldoende voedsel en drinkwater te voorzien. Wel kunnen deze dieren onder bepaalde voorwaarden worden ingezet bij herstelmaatregelen. Zoals nu al gebeurt bij natuurbeheer en regeneratieve landbouw.

Iedereen die dieren houdt krijgt te maken met

  • stijging van de zeespiegel, 
  • verzilting,
  • langdurige periodes van droogte, hittegolven en hittestress, 
  • stormen en hevige neerslag, 
  • verhoogd risico op overstromingen en bosbranden.

De gebieden waar dieren kunnen worden gehouden, zullen in omvang afnemen door:

  • het creëren van zoetwateropslagplaatsen, 
  • verhoging van het waterpeil,
  • teelt van gewassen op gronden waar nu nog dieren worden gehouden,
  • functieverandering tbv. natuur, aanleg van zonneparken en woningbouw

Paarden
Paarden zullen niet gauw uit zichzelf kiezen voor een nat weiland. Althans niet om daar langdurig te verblijven. Toch hebben eigenaren van paarden die hun dieren vrij willen laten bewegen, vaak geen andere keus dan ze onder slechte of minder gunstige omstandigheden naar buiten te doen. Met alle gevolgen van dien: als hoeven en huid week worden, hebben bacteriën meer kans om door de natuurlijke afweer barrière van de huid te breken. Mok en rotstraal zijn het gevolg. Plassen in een weiland zijn vaak ook gunstig voor de ontwikkeling van knutten, die paarden ziek kunnen maken. Via een allergische reactie (zomereczeem) of omdat de knutten drager zijn van virussen (bv. West Nijl virus). En als het buiten niet te nat is, dan is het wel te droog, waardoor een weiland al gauw kaal wordt en de paarden moeten worden bijgevoerd.


Voor Levende Have maakte ik samen met vormgeefster Hanneke van Horen en dierenfotograaf Jan Smit deze brochure over schuilstallen in het buitengebied. Zo’n schuilstal biedt dieren een droge plek en zorgt – mits goed geplaatst – voor beschutting tegen regen, wind en zon.

Woon je in een gemeente waar het plaatsen van een schuilstal nog niet is toegestaan, dan zul je zelf in actie moeten komen. Hou er rekening mee dat het niet snel is geregeld. Het vergt nogal wat inspanning en succes is niet altijd verzekerd. Wat je in elk geval moet doen: neem contact op met de ambtenaar ruimtelijke ordening, zoek medestanders, samen sta je sterker en leg contacten met raadsleden. Vergeet niet dat de provincie het plaatsen van schuilstallen kan tegenhouden of bevorderen. Provincies kunnen in ruimtelijke plannen aangeven of er wel of geen schuilstallen geplaatst mogen worden. Leg daarom ook contact met ambtenaren van de provincie.


Runderen

Runderen worden beperkt geweid, omdat ze bij natte weersomstandigheden schade aanrichten aan de grasmat en sneller last krijgen van klauwproblemen. Bovendien zijn deze dieren gevoelig voor schimmels op het gras, die tot ontwikkeling komen bij een hoge luchtvochtigheid. Weidegang is bij die omstandigheden niet aan te raden. Runderen worden vaak ook binnen gehouden omdat er vanwege langdurige droogte buiten niets te eten valt. Nu al is er in het oosten van ons land sprake van structureel slecht grasland, gevolg van gebrek aan regen in het groeiseizoen en lage grondwaterstanden. 

De optimale omgevingstemperatuur voor melkvee ligt tussen -5 °C en 18 °C. Vanaf een temperatuur van 12 °C ervaart een koe al hittestress. Bij temperaturen tot 30 °C gebruikt een koe extra energie om zich zelf te koelen. Koeien eten met warm weer minder ruwvoer. Als ze daarnaast vaker blijven staan om te koelen en minder herkauwen, omdat ze sneller ademen door de hitte, kan pensverzuring optreden.

Er is de laatste tijd vanwege klimaatverandering meer aandacht voor robuuste, weerbare dieren, maar op een niet weerbare bodem met droge sloten of sloten met een slechte waterkwaliteit zijn ook deze dieren weerloos. Het inzetten van zogenaamd klimaatbestendige koeien is typisch een voorbeeld van een eendimensionale oplossing voor een complex probleem en zal dus niet werken. Tenminste, niet bij gebruik in een grootschalige veehouderij, waar doorgaans weinig flexibiliteit is in het gebruik van grond.

Schapen

Bij schapen wordt een toename van rotkreupel gesignaleerd, veroorzaakt door een bacterie die baat heeft bij warme en vochtige omstandigheden. Grote aantallen schapen lijden in de zomer aan hittestress, omdat ze geweid worden in gebieden waar geen bomen of struiken zijn. Ze moeten worden bijgevoerd als het gras niet meer wil groeien. Schapen zijn bovendien, net als runderen, gevoelig voor door knutten overdraagbare ziekten, zoals blauwtong en Schmallenberg. Knutten (kleine mugjes) zullen, zo is de verwachting, onder invloed van klimaatverandering in aantal toenemen.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat oplopende temperaturen tijdens de periode dat schapen gedekt (willen) worden van invloed zijn op de geboortecijfers. Uit de studie bleek dat de jaarlijkse verliezen aan potentiële lammeren zouden toenemen tot 2,5 miljoen als de gemiddelde opwarming van de aarde met 1°C zou toenemen, en tot 3,3 miljoen als deze met 3°C ​​zou toenemen.

Leverbot

Ander voorbeeld van de gevolgen van een verandering van klimatologische omstandigheden zijn leverbotinfecties. De leverbotslak voelt zich zeer thuis in natte weilanden. Door de mildere temperaturen van de laatste jaren duurt de periode waarin de eitjes zich ontwikkelen tot larven die de slakken infecteren, van begin april tot soms zelfs begin december. Overigens komt deze parasiet niet alleen voor bij schapen, maar ook bij andere herkauwers, zoals runderen en geiten, en ook bij paarden, hazen, reeën en soms bij de mens. Maar het zijn vooral de schapen en geiten die gevoelig zijn voor massale infecties. 


”In toenemende mate wordt duidelijk dat klimaatverandering geleidelijk en daarmee op de lange termijn het optreden van leverbotinfecties bevordert; dit geldt ook in Fryslân en meer als de grondwaterpeilen worden verhoogd. Op de korte tot middellange termijn, tussen vijf en vijftien jaar na verhoging van het grondwaterpeil, resulteert verhoging eerst in een uitbreiding van het leefgebied van de leverbotslak en vervolgens in een toename van leverbotinfecties. Deze toegenomen infectiedruk door grondwaterpeilverhoging komt bovenop de verwachte toename door klimaatverandering. Maatregelen om weidegang te bevorderen vergroten bovendien de risico’s op een leverbotinfectie op bedrijven waar de leverbotslak voorkomt.” (Uit: Nadere verkenning risico’s op leverbotinfecties bij vernatting van veengronden, GD 2020)

Varkens

Wat voor graasdieren geldt, gaat ook op voor andere diersoorten. Voor buitenvarkens is het leven zwaar in een zeer warme of extreem natte zomer. Een varken heeft het met een temperatuur van 25 tot 26 °C wel zo’n beetje gehad. Ze kunnen niet goed tegen hogere temperaturen en zijn ook nog eens gevoelig voor zonnebrand. Ze hebben dus schaduw nodig, maar daaraan ontbreekt het vaak. In die gevallen kunnen varkenshouders gebruik maken van sproei-installaties.

Krijgt het varken niet de kans zichzelf te koelen – naast schaduwrijke plekken is ook de aanwezigheid van voldoende water erg belangrijk – dan treedt hittestress op. Een modderbad kan voor verkoeling zorgen. Maar let op: ten gevolge van hevige regenval kan een weiland waarin varkens gewend zijn te foerageren, binnen de kortste keren veranderen in onbegaanbaar terrein. Varkens houden van een modderbad, maar dag in dag uit tot aan hun buik in de natte drek staan, doet ze geen goed. Ze moeten kunnen uitwijken naar een droge plek.

Kippen

Kippen zoeken bij warme weersomstandigheden net als andere dieren vaak de koelte op. Die kunnen ze vinden onder struiken of langs een muur aan de noordzijde, waar ze naast elkaar gaan zitten, met de bek open, enigszins gestrekte hals en loshangende vleugels. Tijdens zo’n periode van hittestress passen ze vanzelf hun stofwisseling aan. Veel eten doen ze niet. Drinken des te meer. Een kip drinkt normaal 1,6 tot twee keer meer water dan ze voer opnemen. Als het warm is, hebben ze meer water nodig. 

Hittestress ontstaat bij kippen als het warmer is dan 28 graden en er sprake is van een hoge luchtvochtigheid. Het zorgt voor een verminderde voeropname, een verminderde doorbloeding van de darmen en een verandering in de hormoonbalans. Dit leidt tot een lagere zuurgraad in het bloed wat weer een negatief effect heeft op de beschikbaarheid van calcium en fosfor, twee belangrijke onderdelen voor de eischaal. De verlaging van de zuurgraad wordt bovendien versterkt door het extra verlies van CO2, gevolg van het versneld ademhalen van de kip.

Voor kippen is er nog een specifiek probleem, gerelateerd aan klimaatverandering, dierenwelzijn en diergezondheid. De vogelgriepepidemie heeft geleerd dat het niet handig is om kippen te houden in de buurt van natte gebieden met veel wilde watervogels. Het risico op besmetting is daar een stuk groter. De aanleg van nieuwe, natte natuur als reactie op klimaatverandering, wordt meer en meer gezien als een beperkende factor voor het houden van deze dieren. Dat geldt zeker voor het commercieel gehouden pluimvee, onderzoek moet nog uitwijzen of dat ook voor de hobbymatig gehouden kippen geldt. Uit de besmettingsoverzichten van de laatste jaren valt wel af te leiden dat hobbymatig gehouden watervogels een verhoogd risico lopen.

Konijnen

Voor konijnen is bij extreme weersomstandigheden een (zelf gegraven) gangenstelsel een uitkomst. Deze dieren raken oververhit bij temperaturen boven de 27 graden en dan is een ondergronds verblijf te verkiezen boven een hok, ook al staat dat in de schaduw. Probleem met zo’n gangenstelsel is wel dat het vol kan lopen in geval van hevige regenval. Dat kun je voorkomen door de konijnen zelf een gangenstelsel te laten graven in een heuvel en ervoor te zorgen dat het water weg kan.

Het houden van konijnen in hokken is vanwege klimaatverandering en zeker vanuit het oogpunt van dierenwelzijn niet langer aan te bevelen. Op internet zijn weliswaar allerlei tips te vinden om de konijnen te koelen, zoals het gebruik van in handdoeken gewikkelde petflessen met water uit de diepvries of ventilatoren. Maar hiermee wordt konijnen de mogelijkheid ontnomen zichzelf aan te passen aan veranderende omstandigheden. Dat is in strijd met huidige, op wetenschap gebaseerde opvattingen over dierenwelzijn.


Van verminderd welzijn tot dierenleed

”Dieren kunnen zelf goed omgaan met veranderende weersomstandigheden, als ze
daartoe in staat worden gesteld: bij hitte zoeken dieren de schaduw op of ze hebben actieve manieren om het lichaam te koelen (denk aan modderbaden bij varkens en in het water gaan staan bij rundvee). Dat is alleen mogelijk als de dieren ook worden gehouden in een omgeving die daar mogelijkheden voor biedt”, aldus de Raad voor Dierenaangelegenheden in de zienswijze ”Laat dierenwelzijn niet ondersneeuwen”.

Klimaatverandering maakt het houden van dieren in elk geval knap ingewikkeld en in een aantal gevallen zelfs onmogelijk. Vooral in de gevallen waarin een dier niet kan kiezen tussen binnen of buiten, tussen een warme en een koele, een droge of een natte plek, ontstaan er situaties van verminderd welzijn, ongerief, dierenleed. Kleine huisdieren zijn wat dat betreft beter te ‘’handelen’’ dan grote dieren. Een paar cavia’s laten zich in een acute situatie wat gemakkelijker tijdelijk verplaatsen naar een ruimte in huis met een airco, dan een paard.

Het zou voor graasdieren en ook varkens al heel wat zijn als ze niet de hele dag in de zon hoeven te bivakkeren of als ze in tijden van hevige regenval ergens kunnen schuilen. Het ontbreken van schuilmogelijkheden in het buitengebied – natuurlijke schuilplekken of schuilstallen geven beschutting tegen zon, wind en regen – is echter een groot probleem. Het is lang niet overal toegestaan in een weiland een schuilgelegenheid op te richten, terwijl de dierhouders wettelijk wel verplicht zijn hun dieren te beschermen tegen extreme weersomstandigheden (artikel 1.6, derde lid van het Besluit Houders van Dieren). De dieren naar huis halen is zeker niet in alle gevallen mogelijk en evenmin wenselijk. Voor dieren die gewend zijn om buiten te verblijven, is het ophokken in stallen geen pretje. 

Mens en gehouden dieren worden elkaars concurrent

Klimaatverandering is overigens niet alleen een kwestie van hittestress en wateroverlast. Mens en dier zullen meer dan ooit elkaars concurrenten worden op het gebied van voedsel (feed en food), energie en schoon drinkwater. Slechts weinigen wagen zich al aan voorspellingen over de termijn waarop de herinrichting van Nederland zijn beslag zal krijgen, maar dat het gebied waarin dieren gehouden (kunnen) worden zal krimpen, staat wel vast. In het rapport ‘’Een natuurlijkere toekomst voor Nederland‘’ schetsen Wageningse onderzoekers een toekomstbeeld met de tijdspanne van een eeuw: het totaal aan landbouwgrond is in 2120 gehalveerd ten opzichte van nu en de veehouderij is dan tot een derde van de productie geslonken.

De agro-lobby verzet zich hevig tegen dit soort voorspellingen. Nederland wordt de meest vruchtbare delta van de wereld genoemd, waar voedselzekerheid (lees vleeszekerheid) met stip bovenaan moet staan. De lobbyisten weten daarvoor in Europa de handen op elkaar te krijgen. Ondertussen plaatsen wetenschapper daar de nodige kritische kanttekeningen bij.
Hieronder een artikel uit de Volkskrant van 31 oktober 2025.

Als het op keuzes aankomt, doet de vraag zich voor: is er wel voldoende voer en schoon drinkwater voor de naar schatting 1,7 miljoen runderen, 100 miljoen kippen, 11 miljoen varkens, 900.000 schapen en 400.000 paarden? De herkauwers eten vooral gras en zullen dus niet gauw de mens het brood uit de mond stoten. Maar op de plek waar al dat gras groeit (feed), kan ook een voedselbos worden geplant (food), kunnen gewassen voor menselijke consumptie worden geteeld (food) of waterrijke natuur aangelegd. Hetzelfde geldt voor de tarwe, de maïs en de soja die de magen van al die kippen en varkens vullen.


‘Eten wat de aarde schaft’

‘’ Een belangrijk uitgangspunt uit dit scenario is dat in 2050 de meest geschikte landbouwgronden in Nederland zoveel mogelijk worden gebruikt om plantaardig voedsel voor menselijke consumptie te verbouwen. Daarmee sluiten we aan bij het principe ‘eten wat de aarde schaft’ (De Boer, 2021). Alleen gronden die ongeschikt zijn voor plantaardige productie, bijvoorbeeld veengronden of uiterwaarden met een hoge waterstand, worden gebruikt om dieren op te houden. De productie van voer (feed) concurreert in dat geval dus niet met die van voedsel (food). Natuurverkenning 2050 – Scenario Natuurinclusief, WUR, febr. 2022


De herinrichting van de ruimte die wordt voorzien, zal vooral de commercieel gehouden dieren raken, gezien de aantallen die nu nog veelal in stallen zitten, een vorm van houderij die zowel vanuit het oogpunt van dierenwelzijn (geen keuzevrijheid voor het dier) als vanuit het oogpunt van klimaatverandering ter discussie staat. Stallen met (tien) duizenden dieren leggen een groot beslag op energie (koelen in de zomer, verwarmen in de winter), op schoon drinkwater en op de ruimte. Er moet immers voer worden verbouwd voor al die dieren en ook dat is bij extreme weersomstandigheden een moeilijke opgave.

Binnen of buiten?

De dieren van hobbymatige houders lijken niet direct een probleem. Toch valt te verwachten dat er ook voor de naar schatting 18.000 hobbyschapen niet overal meer plek is, uitgaande van de zes leidende principes voor een dierwaardige veehouderij. Hetzelfde geldt voor de 400.000 paarden. Voor de dieren die nu nog gewend zijn om veel buiten te verblijven, zijn – als we het hebben over klimaatverandering en dierenwelzijn – allerlei tegengestelde bewegingen relevant. In het ene geval is het beter de dieren binnen te houden, onder gecontroleerde klimatologische omstandigheden. Met als nadeel een hoog energie- en waterverbruik. Vanuit dierenwelzijn bekeken is het beter om de dieren vooral buiten te houden, met als nadeel dat ze in toenemende mate worden blootgesteld aan invloeden die schadelijk zijn voor hun gezondheid. 

Schaarse ruimte

De hobbymatige houders van landbouwhuisdieren leggen bovendien beslag op schaarse ruimte, die naarmate de klimaatverandering vordert schaarser zal worden. Volgens het CBS waren er in 2019 in Nederland 8.860 hobbybedrijven. Dat zijn bedrijven, veelal gestopte agrariërs, die aan hun veehouderij onvoldoende verdienen om ervan te leven. Zij hadden met elkaar ruim 54.000 ha in gebruik. Dat is gemiddeld zes hectare gras- en akkerland per hobbyboer. Hoeveel land particuliere houders van paarden, schapen, geiten en koeien in gebruik hebben, wordt niet door het CBS bijgehouden.  

Een van de weinige onderzoeken in Nederland (Indicatie van de ecologische footprint van gezelschapsdieren Eerste verkenning, toegespitst op katten, honden en paarden in Nederland) dateert van 2011. Volgens dat onderzoek leggen de 400.000 paarden in ons land beslag op ruim 10% van de landbouwgrond. Meer dan 180.000 ha dus. Het is zelfs bijna 14%, als er rekening wordt gehouden met 300 dagen/jaar grazen en gemiddeld 8 kg hooi en 2 kg haver/dag.

Ecologische voetafdruk

Het ruimtebeslag is niet groot vergeleken met 1 miljoen ha grasland die nu nog beschikbaar is voor vee (agrimatie.nl), maar als we kijken naar de opbrengsten komen we wellicht tot andere conclusies. Het is een van de kritiekpunten op de biologische veehouderij (meer grond nodig, minder productie per ha vergeleken met intensieve veehouderij), die ook de hobbydierhouders zich kunnen aantrekken (per dier veel grond nodig, geen tot weinig productie per hectare).

Dat geldt eveneens voor de ecologische voetafdruk, een begrip dat meer omvat dan grondgebruik. Bij dat begrip gaat het ook om emissies. Herkauwers produceren methaan (CH4) als ze voedsel verteren. Uit opgeslagen mest komen methaan en lachgas (N2O) vrij. Het gebruik van mest en kunstmest op het land leidt ook tot de uitstoot van lachgas. Zowel lachgas als methaan zijn veel sterkere broeikasgassen dan CO2. 
Hoewel ze aanzienlijk minder methaan produceren dan herkauwers, leveren ook paarden een bijdrage aan opwarming van de aarde. Paardenweides blijken belangrijke lokale bronnen voor N2O en geringe bronnen voor CH4.

Net als koeienboeren die menen dat ze door opslag van CO2 een bijdrage kunnen leveren aan het terugdringen van de opwarming van de aarde, zo laten ook paardeneigenaren van zich horen. Moeten alle dieren net als de mens naar een minimale CO2-voetafdruk? Een groot weiland met veel gras en biodiversiteit heeft een groot vermogen om koolstofdioxide op te slaan. Oude weilanden die nooit geploegd zijn, zijn daar helemaal goed in. Door de kwaliteit en diversiteit van je grasland te verhogen en door de aanvoer van paardenvoer te verlagen, kun je je CO2-voetafdruk aanzienlijk kleiner maken.

Lachgas en methaan

Hoe sympathiek ook deze initiatieven zijn, ze doen niets aan de stoffen lachgas en methaan, die door paarden, koeien en andere landbouwhuisdieren worden geproduceerd. Deze dieren zijn niet alleen slachtoffer, maar ook mede oorzaak van klimaatverandering. Dat geldt zelfs voor schapen. Hoewel niet te vergelijken met de grote hoeveelheden methaan die runderen de lucht inslingeren, produceert een schaap toch nog altijd gemiddeld 22 gr methaan per dag, een enorme hoeveelheid. Speciaal voer zou de uitstoot drastisch kunnen verminderen.

Kunnen houders van dieren niet beter groenten gaan telen?

De vraag dringt zich op of je in tijden van klimaatverandering, los van de gevolgen voor het dierenwelzijn, nog wel paarden, varkens, koeien, schapen en geiten kunt houden. Ook al gaat het bij hobbydierhouders vaak om kleine aantallen, elk dier afzonderlijk levert een bijdrage aan de ecologische voetafdruk. Moet niet ook de uitstoot van al die honderdduizenden hobbydieren naar beneden en zo ja, hoe dan? En hoe verhouden de talrijke hobbydieren zich ten opzichte van de wilde dieren, zoals de wolf en het wilde zwijn? Kunnen particulieren met een stukje grond in het buitengebied, waar ze nu een paar schapen, geiten, paarden of koeien houden, niet veel beter bomen planten om zo het leefgebied voor de wilde dieren te vergroten en ook andere soorten een onderkomen te bieden? Of tuinen aanleggen waar ze groenten kunnen telen?

Rampen: overstromingen en bosbranden

Het zijn allemaal vragen die het onderwerp klimaatverandering en het houden van dieren losmaakt. En dan hebben we het nog niet eens gehad over rampen, zoals overstromingen en bosbranden. Het houden van grote aantallen dieren levert onherroepelijk problemen op bij een noodzakelijke evacuatie. Hoe meer dieren, hoe groter de dieren, hoe minder flexibel hun houders zijn bij het treffen van maatregelen.

Eind januari 1995 deed zich een bijna-ramp voor in het rivierengebied van Gelderland en Overijssel. Het water dreigde op veel plaatsen over de dijken te spoelen, gebieden langs de Waal werden geëvacueerd. Als inwoners van een dorp langs de IJssel kregen we een brief van de burgemeester: we moesten maar gauw naar een oplossing voor ons vee zoeken. We hadden echter geen idee waar we met onze schapen, varkens, paarden en kippen naartoe moesten. Gelukkig zakte het water een paar dagen later en op 2 februari was het gevaar geweken.

Rampzaliger was de toestand in 2016, toen weilanden in zuidoost Brabant overstroomden. De gevolgen hiervan zijn jaren later nog altijd merkbaar. Overbelaste riolen en lozingen veroorzaakten een ernstige verontreiniging van weilanden met zware metalen zoals zink, cadmium, lood en kwik.

Weinig tijd

Het water kan snel stijgen en dan is er weinig tijd om vee in veiligheid te brengen. De inwoners van Limburg kunnen er sinds 2021 over meepraten. Berichten over koeien in nood, kalveren die op het nippertje werden gered, maakten indruk. Een speciaal rampenplan voor dieren zou zeer welkom zijn, zei statenlid voor de Partij voor de Dieren Pascalle Plusquin.  ‘’Er zou bij veiligheidsregio’s een aparte dierencoördinatie bij rampen moeten zijn’’.

Tot dusver was het steeds het water dat ons parten speelt, maar een grote bosbrand op de Veluwe bijvoorbeeld, zou niet alleen catastrofaal zijn voor de flora en fauna in dit natuurgebied, maar ook voor de vele schapen, geiten, paarden, koeien, kalveren en varkens die daar in groten getale worden gehouden. Cathelijn Stoof, natuurbranddeskundige van Wageningen University & Research, vraagt al jaren aandacht voor de toenemende kans op oncontroleerbare natuurbranden. Maar het onderwerp lijkt, ook in politiek Den Haag, geen enkele prioriteit te krijgen, is haar weinig opwekkende conclusie.

Dierinclusief beleid nodig

Er is een dier-inclusief beleid nodig om ons voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Bedacht moet worden dat we het hebben over een complex probleem dat om complexe oplossingen vraagt, waarbij de gevolgen voor het houden van dieren in ogenschouw moeten worden genomen. Zo zal het aanleggen van waterrijke gebieden (plas dras, overstortgebieden, retentiegebieden etc.) leiden tot meer muggen/knutten, overbrengers van dierziekten en zoönosen. Dat vormt een risico voor de gezondheid van paarden, schapen, geiten, runderen. Ook zal Nederland nog aantrekkelijker worden voor watervogels met alle gevolgen van dien voor de gezondheid van het gehouden pluimvee (vogelgriep). Doordat er land beschikbaar moet worden gesteld voor klimaatmaatregelen (bebossing, natuur, water, zonneparken) zal de beschikbare ruimte voor het houden van dieren afnemen. Dat leidt bij instandhouding van het huidige aantal dieren onherroepelijk tot een verdergaande intensivering van de veehouderij. Het in standhouden en misschien zelfs wel uitbreiden van intensieve veehouderij vergt echter veel energie en schoon drinkwater, neveneffecten die vanuit het oogpunt van klimaatverandering ongewenst zijn.

Specifieke maatregelen

Er zullen specifieke maatregelen moeten worden getroffen waarbij het welzijn van het dier uitgangspunt is, met als voorwaarde dat mens en dier niet elkaars concurrenten worden op het gebied van voedsel en schoon drinkwater.  Gezien de urgentie zijn op korte termijn de volgende maatregelen nodig:
•    aanleg van bossen en houtwallen, beschutting voor kippen, runderen, schapen, geiten, paarden, varkens;
•    aanleg van watergebieden om grote periodes van droogte op te vangen en mens en dier te kunnen voorzien van drinkwater;
•    afname van het aantal dieren, vooral in de buurt van rivieren en op de laag gelegen gebieden die te maken krijgen met wateroverlast, en verplaatsen van vee- en dierhouderijen, maneges, dierenparken naar hoger gelegen gebieden;
•    opstellen van een noodplan in geval van wateroverlast en bosbrand.

Evacuatie van vee bij dreigende overstromingen

Of de Nederlandse boeren het nu willen of niet, Nederland zal natter worden. We zullen land moeten opofferen om water vast te houden voor droge perioden en overstromingen zoveel mogelijk tegen te gaan. De veehouderij zal zich met zijn enorme hoeveelheid productiedieren moeten voorbereiden op grote aanpassingen aan extreme weersomstandigheden. Wie denkt op de huidige voet door te kunnen gaan en liefst nog een paar tandjes bij te zetten, kan wel eens van een hele natte kermis thuis komen.

Het aanbrengen van koelsystemen in transportwagens of het klimaat in stallen beheersen ten tijde van een hittegolf is nog maar kinderspel vergeleken met de maatregelen die nodig zijn om tienduizenden tot honderdduizenden dieren te evacueren als er een overstroming dreigt. Er bestaat een leidraad voor het evacueren van vee, opgesteld door het ministerie van LNV. Die dateert van 2014 en lijkt verre van toereikend. Er is een recentere handreiking voor het redden van mens en dier, (2020) met een bijlage gewijd aan de evacuatie van gezelschapsdieren en vee. Daarin komt ook de preventieve euthanasie van vee aan bod, wanneer evacuatie niet mogelijk is.

Lokale evacuatieplannen

Lokale evacuatieplannen zijn noodzakelijk, elk gebied is weer anders en kent z’n eigen risico’s. Diverse partijen werken aan een zogeheten Veehouderij Evacuatie Beoordeling (VEB). Uitvloeisel daarvan is een voorspellingsmodel, waarmee kan worden uitgerekend hoe snel een gebied onder water kan komen te staan. Preventieve evacuatie, waartoe we 1995 werden opgeroepen, is in veel gevallen onvermijdelijk. Hoe groter het aantal dieren, hoe groter de noodzaak om ze bijtijds in veiligheid te brengen. Wetende dat op het laatste moment mensen altijd voor dieren zullen gaan.

Die mogelijkheden zijn uiteraard tot nul gereduceerd als het water de stallen in stroomt. Maar niet alleen binnen lopen grote aantallen dieren gevaar. Ervaring leert dat dieren die buiten worden gehouden veel positiefs kunnen beleven, maar tegelijk kwetsbaar zijn. We hoeven alleen maar de beelden in herinnering te roepen van paarden en runderen die elk jaar weer bij hoog water in de buitendijkse gebieden ergens uit een ondergelopen weiland moeten worden gered.

Geraadpleegde bronnen


Vlaamse eis: beschutting voor dieren in de wei

Houders van dieren die in de wei lopen, moeten in 2028 zorgen voor voldoende beschutting. Dat staat in de nieuwe Vlaamse codex dierenwelzijn. De codex zal, zodra die is goedgekeurd door het parlement, bestaande dierenwelzijnswetgeving vervangen.

De verplichting om dieren (schapen, geiten, koeien) schaduw te bieden – voor paarden geldt die eis al – is ook van toepassing als dieren slechts een deel van de dag buiten verblijven. Alleen wanneer dieren altijd toegang hebben tot een stal, hoeft er niet ook in de wei een schuilgelegenheid te zijn.

Schuilstal, hagen of bomen

De term ”beschutting” kan ruim worden opgevat. Niet alleen een schuilstal valt daaronder, maar ook hagen of bomen. Het gaat erom dat dieren in de schaduw kunnen liggen of staan.

Vlaanderen loopt met deze eis voor op Nederland, waar hittestress weliswaar wordt gezien als een aantasting van het welzijn, maar houders van vee vrij zijn om zelf te bepalen hoe ze hittestress voorkomen. Controleurs moeten aan de hand van tabellen en uiterlijke verschijnselen bepalen of dieren lijden onder hoge temperaturen en veehouders in overtreding zijn. 

Hittestress-voorspelling van de GD

De Gezondheidsdienst voor Dieren geeft een zevendaagse hittestress-voorspelling, inclusief advies. Zo wordt onder meer schapenhouders bij kans op lichte tot matige hittestress (temperatuur van 27 graden en een luchtvochtigheid van 65) geadviseerd ervoor te zorgen dat hun dieren – als ze buiten geen schaduw hebben – op het heetst van de dag binnen kunnen staan, het dak van de stal te koelen en binnen de ventilatie in te schakelen.


Tweede Kamer voor verplichte beschutting weidedieren

De Tweede Kamer heeft ingestemd met een motie van de Partij voor de Dieren om ”om, in navolging van Vlaanderen, tot een landelijke verplichting van beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren te komen.” De motie is op 26 september 2023 aangenomen. 

De motie verwijst naar de verplichting om dieren in weilanden te beschermen tegen extreme weersomstandigheden, zoals brandende zon, zware regenval of hagel. Die verplichting is in Nederlandse wetgeving vastgelegd, maar is niet meer dan een zogeheten ”open” norm. In Vlaanderen is onlangs in een codex dierenwelzijn opgenomen dat houders van dieren die buiten verblijven binnen vijf jaar voor beschutting moeten zorgen.

De motie van de PvdD(Kamerstuk 28286, nr. 1310)  stelt geen termijn. Voor stemden 85 leden van de Tweede Kamer: de fracties van D66, PVV, Denk, PvdA, GL, SP, PvdD, CU, Volt, BIJ1, Fractie Den Haan en Omtzigt. Tegen stemden BBB, CDA, VVD, FvD, Ja21, Ephraim, Groep Van Haga, SGP. 

Handreiking

Minister Adema laat de Tweede Kamer weten geen extra stappen te gaan zetten. Er gebeurt al genoeg, vindt hij.  ”Bescherming van dieren tegen hitte in de weide is één van de punten uit het plan van aanpak hittestress landbouwhuisdieren (Kamerstuk 28286, nr. 1296). In dat kader faciliteert het ministerie van LNV de afstemming tussen betrokken partijen om te komen tot een handreiking over beschutting in de weide voor gemeentes en provincies.

Deze handreiking moet gemeentes en provincies helpen bij het maken van de belangenafweging tussen natuur, cultuurlandschap en dierenwelzijn. In dat kader worden bomen en planten als beschuttingsmogelijkheid ook meegenomen. Adema ziet de motie als ondersteuning voor het huidige beleid waarin in het Besluit houders van dieren (artikel 1.6) al is geregeld dat een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren. ”Ik beschouw deze motie daarom als afgedaan”, zei hij op 26 oktober 2023.

Verzoeken om handhaving

De open norm in de Wet dieren en het Besluit Houders van Dieren leidt volgens Wakker Dier tot zwakke handhaving en dat is ‘frustrerend” en ”gevaarlijk”. Overigens is die open norm – voldoende bescherming – niet het enige waaraan getoetst zou moeten worden. Ook artikel 2.1 van de Wet dieren – verbod op het benadelen van gezondheid en welzijn – is van toepassing.

Op 9 april 2024 stelde de rechter deze organisatie in het gelijk. Wakker Dier had diverse verzoeken om handhaving gedaan en de afwijzing daarvan was onterecht niet of onvoldoende gemotiveerd.

De handhavingsverzoeken waren gedaan tijdens de hittegolf van 2020. Aanvankelijk stelde de NVWA vast dat er geen sprake was van een overtreding. Maar na bezwaar erkende de NVWA dat er aan de hand van videobeelden wel degelijk verschijnselen van hittestress konden worden gezien. De bedrijven kregen een schriftelijke waarschuwing. Wakker Dier stapte naar de rechter om duidelijk te krijgen dat er sprake was van dierenmishandeling.

Die vond dat er in twee gevallen beoordeeld had moeten worden of er sprake was van een overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren. De NVWA had een dierenarts moeten inschakelen. De minister moet nu een nieuw besluit nemen op het handhavingsverzoek.