Leplam, paplam, of potlam

Soms gaat er iets mis bij de totstandkoming van de moeder-lam binding. De moeder kan het lam verstoten Dan heb je een zogeheten leplam, flesselam, potlam, of paplam. Wanneer dit fenomeen zich voordoet bij schapen die onder semi-wilde omstandigheden leven, zal het lam snel afkoelen en sterven. Maar in de schapenhouderij worden de hoogdrachtige ooien vaak naar de stal gehaald om daar af te lammeren. De houder zal het verstoten lam apart zetten en het met de fles voeden. Dat vloeit voort uit de zorgplicht in het geval van gehouden dieren.

Blijven de drachtige ooien in de wei, hetgeen vanuit het oogpunt van dierenwelzijn is aan te bevelen mits het niet te koud is, dan valt uit het gedrag van de ooi en het lam vaak wel af te leiden of er iets aan de hand. Lammeren herkennen hun moeder aan geluiden, ooien herkennen hun lammeren aan geluid, geur en uiterlijk. Te vroeg ingrijpen, vanuit bezorgdheid bijvoorbeeld, kan dit natuurlijke gedrag verstoren.

Het kan gebeuren dat de moeder het lam alsnog accepteert. Het is wel belangrijk niet te lang te wachten. Het lam moet snel en veel biest krijgen van de moeder. Je kunt de moeder vast houden zodat het lam uit eigen beweging kan gaan drinken. Je kunt ook wat biest afnemen en via een flesje toedienen.

Voerschema voor de opfok van lammeren

  • Zorg dat het lam de eerste dag biest binnen krijgt: veel en vlug. Niet teveel, een lam van 2 kg mag 100 ml biest per keer krijgen, een lam van 4 kg 200 ml. Bij hele kleine lammeren (1-1,5 kg) is het extra belangrijk dat ze niet teveel krijgen, omdat de lebmaag dan te ver kan worden uitgerekt en de maaglediging wordt belemmerd. Liever een extra portie geven dan als je merkt dat het lam behoefte heeft om te drinken.
  • Wordt het lam verstoten door de ooi, hou de ooi dan vast en probeer het lam een aantal keer per dag te laten drinken. Zet het lam apart van de ooi anders kan de ooi het lam doodstoten.
  • Biest is ook in poedervorm te krijgen, zogeheten kunstbiest.
  • Het wennen van een lam aan het drinken uit een fles heeft de eerste keren wat doorzettingsvermogen nodig.
  • Het kan zijn dat het lam maar weinig drinkt de eerste dagen.
  • Er is een verschil tussen een Ouessant lam en een lam van een Texelaar. Pas de hoeveelheid dus per ras aan. Verstrek de hoeveelheid melk die gelijk is aan 20% van het lichaamsgewicht van het lam in 5 tot 6 voedingen verdeeld over de dag.

Onderstaand schema is een richtlijn

  • Drinktemperatuur ongeveer 40 graden Celsius (vooral in het de eerste weken belangrijk), oplossen in ongeveer 65 graden Celsius.
  • De lammeren hebben vanaf de eerste dag goed hooi en fris water nodig.
  • Zorg bij verhoging van de melkgift voor geleidelijke overgangen.

Mengverhouding 1 deel, 5 delen water.

  • Dag 1: 6 keer per dag biest, 50 ml voor niet al te grote lammeren, 100 ml voor een lam van 2 kg en 200 ml voor een lam van 4 kg
  • Dag 2 t/m 4: 6 keer per dag, 50 ml voor niet al te grote lammeren tot 165 ml voor een lam van 5 kg (geef het lam 20% van het lichaamsgewicht, verdeeld over zes voedingen per dag)
  • Dag 5 t/m 10: 90 ml voor niet al te grote lammeren 5 keer per dag 
  • Dag 11 t/m 15: 300 ml 3 keer per dag 
  • Dag 16 t/m 21: 600 ml 2 keer per dag
  • Week 4: 600 ml 2 keer per dag 
  • Week 5: 800 ml 2 keer per dag hierna afbouwen 
  • Week 6: 500 ml 2 keer per dag 
  • Week 7: 500 ml 1 keer per dag.

Als het lam gezond reageert en uit zichzelf voldoende gras en hooi gaat eten, kun je stoppen. 

Kobalt en vitamine B12 gebrek

Lammeren die na het spenen alleen ruwvoer eten, kunnen te weinig kobalt binnen krijgen. Dat doet zich vooral voor op kobalt-arme gronden. Kobalt zet zich in de pens om in vitamine B12. Te weinig kobalt betekent dus ook te weinig vitamine B12. Daardoor kan de energievoorziening van een lam ernstig verstoord raken. Lammeren met een kobalt-vitamine B12-gebrek groeien slecht, zijn traag en suf, hebben een dorre vacht en zijn gevoeliger voor wormen. Zorg ervoor dat de lammeren altijd bij een liksteen kunnen.

Meer over verstoten lammeren, zie onderstaande brochure.

Hou er rekening mee dat lammeren die met de fles zijn grootgebracht, zich sterk hechten aan de verzorger. Ze kunnen gaan zeuren, zodra ze de verzorger zien. Dat kan leiden tot langdurig gemekker. Zo is er altijd een overgangsfase tussen flesvoeding en het eten van ruwvoer. Ga niet op het gemekker in door het lam nog een keer melk te laten drinken. Probeer het gedrag zoveel mogelijk te negeren. Zorg er ook voor dat je tijdens het geven van de flesvoeding niet te close wordt met het lam. Het voeden van lammeren met de fles door kinderen is zeker af te raden.