Naar een ‘dierinclusievere’ rechtsstaat

De belangen van dieren zijn in onze rechtsstaat gekoppeld aan die van mensen, ook al is hun intrinsieke waarde wettelijk vastgelegd. Dat dieren een op zichzelf staande waarde hebben, moet nog worden uitgewerkt. De democratische rechtsstaat moet ”dier-inclusiever” worden, stelt Janneke Vink.

Mr. dr. Janneke Vink is een van de weinigen in Nederland die zich volledig heeft toegelegd op het recht van dieren. Zij is medeoprichter van de Nederlandse Vereniging voor Dierenrecht. Haar vakgebied krijgt steeds meer aandacht, van studenten, dierenwelzijnsorganisaties en overheid. Zo leverde Janneke vorig jaar een bijdrage aan de zogeheten Vaarkamplezing, georganiseerd door de Raad voor Dierenaangelegenheden. Haar lezing ”Het recht in het Antropoceen: kan het recht dieren houvast bieden?” is hier te vinden. In 2023 verscheen haar proefschrift in het Nederlands: De open samenleving en haar dieren.

”De erkenning van de intrinsieke waarde van het dier stelt de democratische rechtsstaat op ongekende wijze op de proef”

Vink betoogt dat het nog een heel karwei is om dieren als volwaardige leden in de rechtsstaat in te passen. ”De erkenning van de intrinsieke waarde van het dier stelt de democratische rechtsstaat op ongekende wijze op de proef”, benadrukt ze. Ze schetst wat daarbij allemaal komt kijken: echt erkennen dat dieren ertoe doen om zichzelf, echt hun belangen eerlijk afwegen tegen die van de mens. Dat vereist vereist wel wat meer dan het herschrijven van een paar rechtsnormen, aldus Vink. Het staatsmodel zal een plek moeten bieden aan belangen die niet direct menselijk zijn. Dat is iets geheel nieuws in een democratische rechtsstaat waarin alle wetgeving uitsluitend de mens dient. Maar willen we het niet-menselijke dier echt beschermen, dan, zegt ze, ”zullen wij moeten afkicken van ons antropocentrisme: ons mens-centrale denken. Dat geldt dan niet alleen voor het morele denken, maar ook voor het institutioneel inregelen van onze staat. De instituten van de democratische rechtsstaat moeten dan in de basis dier-inclusiever worden.”

Dieren kunnen niet zelf naar de rechtbank

Dieren zijn nooit gekend in het wetgevingsproces, stelt Vink vast. Voor zover hun rechten een wettelijke grondslag hebben, is het vooral het menselijk belang dat de doorslag geeft. Dat is te merken in de rechtspraktijk. Vink: ”Dieren kunnen niet zelf naar de rechtbank om handhaving van de wetgeving af te dwingen die hún belang zou moeten dienen. Dieren zijn primair afhankelijk van een perfect functionerend handhavingsapparaat en secundair van NGO’s (‘dierenclubs’) die hun belangen in de rechtszaal vertegenwoordigen. Maar die NGO’s zijn op hun beurt weer afhankelijk van vrijwillige giften. Die zijn niet toereikend om voor ieder dier recht op te eisen in de rechtszaal.”

Toch mag het vandaag de dag, aldus Vink, niet meer zo zijn dat rechtvaardigheid alleen is weggelegd voor de mens. ”Als wij vinden, zoals wij hebben vastgesteld in 1981, dat het dier intrinsieke waarde heeft en juridisch beschermwaardig is, dan moeten wij zorgen dat de instituten die bescherming linksom of rechtsom faciliteren. De filosoof Karl Popper stelde al dat als wij van oordeel zijn dat de instituten niet functioneren, wij niet boos moeten zijn op de instituten, maar op onszelf. Wij zijn de makers, de hoeders, de reparateurs van de democratisch-rechtsstatelijke instituten. De instituten kunnen zichzelf niet repareren. Als zij niet functioneren zoals wij willen, moeten wij onze schouders eronder zetten en de problemen oplossen. Wij zullen moeten nadenken over instituten die ook voor niet-menselijke dieren werken en dat betekent dat wij uiteindelijk ook het recht fundamenteel zullen moeten ‘omkneden’. Alleen dan zullen ook dieren uiteindelijk houvast kunnen vinden in het recht.”


Artikel 1.3 van de Wet dieren

De intrinsieke waarde van het dier is vastgelegd in de Wet dieren, artikel 1.3. Onder de erkenning van de intrinsieke waarde wordt verstaan de ”erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel.” Die erkenning houdt in dat bij het stellen van regels en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, ”ten volle” rekening wordt gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, ”onverminderd andere gerechtvaardigde belangen.” Verder stelt het wetsartikel dat iedere inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd. Dat lijkt vergaand, ware het niet dat er een kanttekening wordt gemaakt, namelijk dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn ”redelijkerwijs noodzakelijk” kan zijn. Alles wat verder gaat dan ”redelijkerwijs noodzakelijk” dient te worden voorkomen. Deze formulering vloeit voort uit de wijze waarop dieren in onze samenleving worden gebruikt.


In Belgische grondwet zijn dieren wezens met gevoel

“De federale staat, de gemeenschappen en de gewesten zullen bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden moeten streven naar de bescherming van en zorg voor dieren als wezens met gevoel”.

Zo luidt sinds 2 mei 2024 artikel 7bis van de Belgische Grondwet. Twee derde van het federale parlement stemde voor deze toevoeging aan de Grondwet, waarmee het belang van dieren meer gewicht krijgt. België voegt zich daarmee in het rijtje landen dat het welzijn van dieren ook in de Grondwet heeft verankerd: Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk, Slovenië, Italië.

Nederland kent nog geen grondwettelijke bescherming van dieren. Er bestaat sinds 2013 wel een Wet dieren, die de intrinsieke waarde erkent van (gehouden) dieren, ”zijnde wezens met gevoel”. Wat is het verschil?

Het artikel in de Wet dieren is bedoeld voor de overheid. Die moet de belangen van (gehouden) dieren in acht nemen bij het opstellen van regels en het voeren van beleid. In het onderliggende Besluit Houders van Dieren staan normen voor onder meer huisvesting en verzorging. Verder kennen we in Nederland een Wet aanpak dierenmishandeling en dierenverwaarlozing.

Dat de Wet dieren nog altijd een grote mate van vrijblijvendheid kent, is mede te wijten aan het ontbreken van een grondwettelijke bescherming van dieren. De wetgever in Nederland wordt niet gedwongen een betere wet voor dieren te maken. Bij de gang van zaken rond het amendement Vestering hebben we kunnen zien wat er gebeurt als er een meerderheid blijkt te zijn voor het aanscherpen van bestaande wetten en regels. Wanneer die aanscherpingen in het nadeel uitvallen van de intensieve veehouderij, komen er krachten in werking die wetswijzigingen tegenhouden, of – in het geval van het amendement Vestering – ongedaan maken.

Hogere status

Door de bescherming van dieren, zoals in België, op te nemen in de Grondwet, krijgen hun belangen als het ware een hogere status. Artikel 7bis bevat geen afdwingbare individuele rechten. Maar dieren kunnen er wel profijt van hebben, bijvoorbeeld als in de rechtspraak hun belangen moeten worden afgewogen tegen andere fundamentele (grond-)rechten. Ook voor de wetgever en bestuurders is de grondwettelijke bepaling een stimulans om betere wetten en regels te maken voor meer dierenwelzijn. Artikel 7bis richt zich op drie dimensies van duurzame ontwikkeling. Het is een bindende rechtsregel voor de overheden in België.

De toevoeging van dieren aan de Grondwet is niet vanzelf gegaan. Dierenbeschermingsorganisatie Gaia heeft daar sinds 2016 campagne voor gevoerd. De organisatie spreekt over een ”historische overwinning”. De inwoners van België staan achter de grondwettelijke bescherming van dieren als wezens met gevoel, zo blijkt uit een IPSOS-enquête in 2023.

Janneke Vink: ”Baanbrekend”

De Nederlandse dierenrecht-deskundige Janneke Vink noemt de Belgische grondwetswijziging baanbrekend. In 2018 nam ze deel aan een hoorzitting van de Belgische senaat. Zij is voorstander van het opnemen van dieren in de grondwet. ”Dieren zijn in onze democratische rechtsstaat de enige individuen wier fundamentele welzijn nog vogelvrij is en permanent op de tocht staat. Dat past een moderne democratische rechtsstaat, die erkent dat dieren intrinsieke belangen hebben en waarin democratische reciprociteit en rechtsstatelijke individuele rechtsbescherming hoog in het vaandel worden gedragen, niet”, aldus Vink op haar eigen LinkedIn pagina.

In 2018 verscheen in het Juristenblad dit artikel van Vink: Dierenwelzijn, van onderhandelbare naar grondwettelijke waarde.

Dierenrechten zijn nog geen algemeen belang

Wat nog niet voor elkaar is: rechten van dieren worden nog niet beschouwd als algemeen belang. Zo heeft het Hof van Cassatie in België onlangs geoordeeld dat een dierenbeschermingsorganisatie als GAIA niet bij de burgerlijke rechter terecht kan met klachten over dierenwelzijn.
Dat zou kunnen worden ondervangen door het maatschappelijk doel in de statuten van een dierenbeschermingsorganisatie breder te maken. Ze zouden dieren en natuur als een integraal kunnen beschouwen, zeggen experts.

Het nieuwe artikel 7bis van de Belgische Grondwet is volgens het Hof niet bedoeld om afdwingbare rechten in het leven te roepen. ”Het Hof concludeert dat het bevorderen of vrijwaren van het dierenwelzijn als dusdanig geen doelstelling is die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of van fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet”, aldus een artikel op Strada lex.

Brazilië

Een voorbeeld van land dat het wat beter voor elkaar heeft is Brazilië. Dankzij een artikel in het tijdschrift LEOH komen we te weten dat dieren er subject van rechten zijn en dat hun bescherming in de grondwet is vastgelegd, op zo’n manier dat er een rechtstreekse werking vanuit gaat. Marina Baptista-Rosa beschrijft hoe dat zo gekomen is. Ze stelt tegelijkertijd dat het voor boerderijdieren ondanks de grondwettelijke bescherming nog geen walhalla is.

Het effect is nog beperkt, mede vanwege andere, grondwettelijk beschermde, culturele rechten en machtige agrarische belangen. Niettemin is er reden voor optimisme, vindt Baptista. De grondwettelijke bepaling voor dierenbescherming richtte zich oorspronkelijk op specifieke praktijken, zoals de Farra do Boi (een sinds 1997 illegaal ritueel met een os). De laatste jaren ontwikkelt het zich als instrument om meer algemeen heersende misstanden aan te pakken.