Over domesticatie en habituatie bestaan veel misverstanden. Domesticatie wordt veelal gezien als een proces waarin dieren zich aanpasten aan een leven met de mens, zodanig dat er na verloop van tijd een (onder)soort ontstond die daar geschikt voor was. Zo spreken we bij gehouden varkens van Sus scrofa domesticus, terwijl we een wild zwijn Sus scrofa noemen.
Domesticatie gaat zeker gepaard met genetische veranderingen, die ontstaan door toedoen van (selectie door) de mens. Een belangrijke genetische verandering betreft de mate waarin dieren tam zijn. Maar het is zeker niet zo dat dieren door domesticatie alle kenmerken van hun wilde soortgenoten verloren zijn. Daar zit vaak het misverstand: dat dieren zich volledig zouden hebben aangepast aan de manier waarop wij ze houden en dat ze niet meer de behoefte zouden hebben om natuurlijk gedrag te vertonen.
”Hardware en software”
In hun rapport ”Gedomesticeerd? Begripsomschrijving en beoordelingskader, toegepast voor het rendier en de zeboe” (2018) gaan Hans Hopster en Francesca Nijenhuis (onderzoekers gedrag en gezondheid van dieren) nader in op de effecten van domesticatie. Ze hanteren de volgende definitie:
”Domesticatie is een proces waardoor een dierpopulatie over generaties heen door selectie en vermeerdering zodanig van eigenschappen en kenmerken verandert, dat dieren die deel uitmaken van deze populatie steeds meer aangepast raken aan het leven dichtbij de mens in door de mens gecreëerde en gecontroleerde omstandigheden die over generaties heen
vergelijkbaar zijn.”
Domesticatie voorziet als het ware de ‘software’ van het genoom van dieren van een meer of minder ingrijpende update die doorgegeven wordt aan de volgende generatie, zonder daarmee noodzakelijkerwijs de hardware (de basenvolgorde in het DNA) te veranderen, leggen Hopster en Nijenhuis uit.
”Als gevolg van een domesticatie-update worden dieren over het algemeen minder gevoelig voor sensorische prikkels en neemt hun stressgevoeligheid af. In het licht van dierenwelzijn is dat als een voordeel te beschouwen gelet op de omstandigheden waarin dieren worden gehouden en de blootstelling aan prikkels die daarmee samenhangt.”
Hierbij tekenen ze aan dat een individu uit een gedomesticeerde populatie, niet automatisch volledig gewend is aan de manier waarop ze door de mens worden gehouden. Ook in gedomesticeerde populaties kunnen er tussen individuele dieren aanzienlijke verschillen bestaan in sensitiviteit, reactiviteit en stresstolerantie. “De aard van het individu en de (positieve of negatieve) ervaring die deze heeft opgedaan met vergelijkbare situaties en prikkels bepalen mede of, en de mate waarin, het welzijn van het dier wordt aangetast”, aldus Hopster en Nijenhuis.
Habituatie
Als voorstanders van het houden van niet-gedomesticeerde dieren daarvoor een rechtvaardiging nodig hebben, komen ze nogal eens met het begrip habituatie op de proppen. Maar bij habituatie gaat het om een kortstondig proces waarin (wilde) dieren leren samen te leven met de mens. De fysiologische en ethologische behoeften van een dier veranderen niet door habituatie.
Habituatie wordt nogal eens verward met domesticatie. Het vermogen van individuele dieren om bijvoorbeeld in een kooi of achter een hek te kunnen overleven, zou erop duiden dat zij in korte tijd in staat zijn zich aan te passen en dus ook geschikt zijn om in gevangenschap te leven. Dat is lang niet altijd het geval.
Het zijn vooral mensen voor wie de geschiedenis van de mensheid is verbonden met het scheppingsverhaal, die moeite hebben met een begrip als domesticatie. Om iets van domesticatie te begrijpen, moeten we namelijk ver – tienduizenden jaren – terug in de tijd. Maar ook domesticatie is als eenduidig verklaringsmodel aan herziening onderhevig. De wetenschap zit sinds Darwin niet stil. Vooral het eenrichtingsverkeer van de mens die andere soorten aan zich heeft onderworpen, staat ter discussie.
”Alle soorten hebben een hybride geschiedenis‘
In haar boek Tamed (2017) beschrijft de Britse antropologe Alice Roberts tien gedomesticeerde soorten, variërend van honden tot aardappelen. Ze deed uitgebreid onderzoek naar de ontwikkeling van deze soorten, de invloed van de ene soort op de andere, en ook de kruisingen die gedurende het domesticatieproces plaatsvonden binnen soorten en tussen ondersoorten. Zo ontdekte ze dat onze menselijke voorouders zich kruisten met Neanderthalers en dat honden zich bleven kruisen met wolven lang nadat ze voor het eerst waren gedomesticeerd. ”Het daagt het hele soortconcept in de biologie uit”, aldus Roberts. ”Het betekent dat alle soorten – inclusief wij – een hybride geschiedenis hebben.”
Domesticatie is in de optiek van Roberts een proces van wederkerigheid. Ook de mens heeft door domesticatie veranderingen ondergaan, is – beter gezegd – met de dieren mee-gedomesticeerd. Roberts spreekt over honden, koeien, paarden en kippen als onze gedomesticeerde bondgenoten. Deze brede opvatting over domesticatie is van vrij recente datum, maar houdt nog geen of slechts beperkt rekening met de veranderingen die zich de laatste decennia in recordtempo opvolgen.
Vergaande selectie op productiekenmerken
De landbouwhuisdieren van tegenwoordig, hebben niet alleen een hele domesticatiegeschiedenis achter de rug, maar ook een relatief zeer korte periode van ingrijpende selectie op productiekenmerken. Aan deze selectie is nog geen einde gekomen. De mens grijpt nog dagelijks via genetische modificatie steeds verder in op het gnoom van productiedieren. Zo ontstaan er turbokippen, turbokoeien en turbovarkens. Deze dieren passen in het model van meer, meer en nog meer vlees, melk en eieren. Met alle negatieve bijverschijnselen van dien.
De huidige leghennen produceren tegenwoordig gedurende een periode van ruim 100 weken. Het streven is erop gericht de hennen 120 weken aan de leg te houden, zodat er een productie van 600 eieren per hen mogelijk is. Het opvoeren van de leghennen gebeurt onder het mom van duurzaamheid. Een aantal kenmerken van deze superleggers is genetisch bepaald – het werk van grote fokkerijorganisaties als Hendrix Genetics. Maar ook een goed uitgekiend dieet speelt een grote rol. De hennen krijgen te eten alsof het om topatleten gaat: net niet teveel, net niet te weinig.
Dedomesticatie
Soms doen zich spontane gevallen van verwildering van gedomesticeerde dieren voor. Bekend voorbeeld is het Soayschaap. In de jaren 30 van de vorige eeuw werden deze schapen door de inwoners achtergelaten op het Schotse archipel Saint Kilda. Het ras onderging door natuurlijke selectie een proces van dedomesticatie. De populatie verwilderde.
Soms doen zich gevallen van verwildering voor, waarbij opzet in het spel is. Onderzoekers willen zien of gedomesticeerde dieren zich in het wild kunnen handhaven. Bekend zijn experimenten met kippen en met konijnen. En ook met koninkpaarden en de rode geus. Deze laatste is een kruising van het Nederlandse Brandrode rund en de Franse Saler.

Bij de koninkpaarden en de rode geus gaat het om dieren die jaarrond in het wild leven en met hun gedrag de ecologische rol van hun wilde voorouders waarschijnlijk aardig benaderen. ”Met zulke dieren is, als het ware, een proces van dedomesticatie ingezet. In bijzonder sterke mate geldt dat voor fokprogramma’s die speciaal ten doel hebben een rund te verkrijgen dat zo veel mogelijk gemeen heeft met de oeros zelf. Een ethische én juridische vraag is of zulke grote grazers – en bijvoorbeeld ook ge(de)domesticeerde waterbuffels – beschouwd dienen te worden als ‘gehouden’ dieren (met een zorgplicht als uitgangspunt) of ‘wilde’ dieren (met een ‘afblijfplicht’ als uitgangspunt), of iets ertussenin”, aldus Arie Trouwborst in de bundel ”Rewilding in Nederland” (2022).
Free Nature is een stichting voor herstel van Europese ecosystemen. Ze hebben 25 jaar ervaring op het gebied van natuurlijke begrazing, dedomesticatie en verwildering van grote grazers. Deze organisatie stelt: ”Daar waar nog een zorgplicht geldt voor het individuele dier selecteert de beheerder bewust op eigenschappen die het zelfstandig leven in de natuur bevorderen. Negatieve eigenschappen als de aanleg voor ziektes, grote uiers of moeite met het zelfstandig afkalveren worden uitgeselecteerd. Vaak geeft de natuur zelf aan welke dieren het minst geschikt zijn. Hiernaast krijgen de dieren weer zelf de ruimte om hun eigen sociale structuur of orde te creëren. Maar nog beter is het, wanneer mogelijk, om deze selectie weer aan de natuur zelf over te laten; natuurlijke selectie volgens de principes van survival of the fittest.”
Genetische verschillen tussen gedomesticeerde en wilde konijnen
Uit internationaal onderzoek naar het genetische verschil tussen gedomesticeerde en wilde konijnen is gebleken dat door domesticatie de frequenties van genvarianten die al aanwezig waren in de wilde voorouders zijn veranderd. Het onderzoek laat zien dat domesticatie voornamelijk kleine veranderingen in veel genen teweeg heeft gebracht en geen drastische veranderingen in een paar genen.
Het onderzoeksteam kwam zeer weinig voorbeelden tegen waarbij een genvariant die veel voorkomt bij tamme konijnen de genvariant in wilde konijnen volledig heeft vervangen. Een interessant gevolg hiervan is dat als je tamme konijnen in het wild uitzet, er een mogelijkheid is voor terugselectie op die genen die tijdens de domesticatie zijn veranderd, omdat de ‘wildtype’ variant zelden helemaal verloren is gegaan.
Genen zijn niet geïnactiveerd door domesticatie
De wetenschappers hebben geen voorbeeld gevonden waarbij een gen is geïnactiveerd tijdens de domesticatie van konijnen. Er waren veel meer veranderingen in het niet-coderende deel van het genoom dan in de delen van het genoom die coderen voor eiwit. De resultaten zijn duidelijk: het verschil tussen een wild en een tam konijn is niet welke genen ze dragen, maar hoe hun genen worden gereguleerd, d.w.z. wanneer en hoeveel van elk gen in verschillende cellen wordt gebruikt.
De onderzoekers stonden versteld van de sterke verrijking van genen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van de hersenen en het zenuwstelsel. Dat zijn de genen die in het bijzonder werden beïnvloed tijdens domesticatie. Maar dat is ook logisch, concludeert Kerstin Lindblad-Toh, professor aan de Universiteit van Uppsala. Ze verwijst naar de drastische gedragsveranderingen tussen wilde en gedomesticeerde konijnen
Remming van vluchtreactie
De studie toont aan dat het wilde konijn genvarianten draagt die gunstig waren tijdens domesticatie. De opeenstapeling van vele kleine veranderingen leidde tot de remming van de sterke vluchtreactie – een van de meest prominente, zichtbare veranderingen in de evolutie van het tamme konijn.
De onderzoekers voorspellen dat een soortgelijk proces zich heeft voorgedaan bij andere huisdieren. Er zullen geen specifieke “domesticatiegenen” gevonden worden die cruciaal waren voor domesticatie. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat een vergelijkbare diversiteit aan genvarianten die zich in de hersenen en het zenuwstelsel voordoen, voorkomt in de menselijke populatie. Dit zou kunnen bijdragen aan verschillen in persoonlijkheid en gedrag. (Bron: “Rabbit genome analysis reveals a polygenic basis for phenotypic change during domestication,” by M. Carneiro et al. Science, 2014. www.sciencemag.org/lookup/doi/ … 1126/science.1253714)