
De omschakeling naar een dierwaardige veehouderij betekent het loslaten van bekende begrippen, vertrouwde beelden, vanzelfsprekendheden. Wat dat betreft verkeren we nog in de beginfase: er wordt hoofdzakelijk gesproken over aanpassingen van het bestaande, waarbij de koers richting dierwaardigheid nog niet is ingezet. Althans niet op de meeste boerenbedrijven.
Zo is, anders dan de naam doet vermoeden, de Stal van de Toekomst geen walhalla voor de dieren, maar een gangbare varkenshouderij, mét dagontmesting – dat wel. En op de website van het met een award van de Dierenbescherming bekroonde Krullvarken laten ze graag een plaatje zien van varkens met een krul in de staart. Maar lang niet alle ”krullvarkens” hebben een complete staart. Dat zal veranderen als het verbod op het afknippen van staarten dichterbij komt en de varkens worden gehouden onder omstandigheden die het risico op staartbijten beperken, zoals minder volle hokken, voldoende vers stro en een beter stalklimaat.

Vooralsnog hebben de gangbare varkenshouders de krachten gebundeld in een nieuw ketenkwaliteitssysteem (Holland Varken Quality), aangepast aan de huidige markteisen. Binnen dat systeem speelt dierenwelzijn een beperkte rol. De voorschriften voorzien bijvoorbeeld niet in vrijloopkraamhokken en de oppervlaktes waarmee wordt gerekend maken geen eind aan volle varkenshokken.
Toekomst zonder stallen
In plaats van over de stal van de toekomst zouden we het misschien eens moeten hebben over een toekomst zonder stallen. Een toekomst dus waarin het streven naar een dierwaardige varkens-, melkvee- of pluimvee-industrie wordt losgelaten. Omdat er nu eenmaal geen sprake kan zijn van én dierwaardigheid én hoge opbrengsten per eenheid product.
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) spreekt in de Staat van het Dier over het ontwerpen van nieuwe houderijsystemen. Iets waar volgens de RDA snel werk van gemaakt moet worden en waarbij de overheid een leidende rol zou moeten vervullen. Hoe die nieuwe houderijsystemen eruit moeten komen te zien, is nog volstrekt onduidelijk. Hoe ze tegemoet kunnen komen aan de behoefte van dieren om hun natuurlijk gedrag te vertonen en bijdragen aan een positieve staat van welzijn? De RDA gaat het nog nader invullen.
Positief welzijn
Voorwerk is al gedaan door buitenlandse wetenschappers. In het tijdschrift Biology Letters (januari 2025) gaan ze uitgebreid in op de term positief dierenwelzijn. Dat gaat verder dan het verzekeren van een goede fysieke gezondheid en het voorkomen en verlichten van lijden. Positief welzijn betekent dat dieren belonende ervaringen opdoen, keuzes kunnen maken en de kans krijgen om actief doelen na te streven en gewenste resultaten te bereiken. Alleen zo kunnen dieren floreren, competenties en veerkracht ontwikkelen.
Echte transitie dient zich in gangbare veehouderij nog niet aan
Een echte transitie dient zich in de gangbare veehouderij nog niet aan. Heldere kaders ontbreken over welk type verandering er nodig is en welke praktijken gewenst zijn. Ondanks een Convenant Dierwaardige Veehouderij. De in 2025 gemaakte afspraken tussen overheid en agrarisch bedrijfsleven tonen eens temeer aan dat de landbouwlobby als hindermacht nog altijd springlevend is. Het huidige aantal dieren in de intensieve veehouderij staat weliswaar ter discussie, maar stel dat een derde wordt ingeleverd, dan zitten we met 60 miljoen in plaats van 90 miljoen kippen in Nederland nog altijd met een enorme concentratie aan dieren.
Krijgen we vergunningen voor nieuwe stallen?, vragen veehouders zich bij herhaling af. Ze willen de dieren best iets meer ruimte geven. Maar gaat de overheid ons daarbij helpen? En hoe zit het dan met ons verdienmodel? Zolang het woord stal of verdienmodel circuleert, weet je: het houden van dieren in Nederland moet de concurrentie op de wereldmarkt kunnen doorstaan. Alles draait om kostprijs, efficiency, gelijk speelveld. Niet om dierwaardigheid.
”Doorontwikkeling”
De minister van LVVN Femke Wiersma (BBB) sprak vlak voor haar aantreden als bewindspersoon op 24 juni 2024 nadrukkelijk niet over een transitie, maar over een ”doorontwikkeling”. Het woord transitie heeft in haar ogen een negatieve lading. Gebruik van het woord zou erop kunnen duiden dat de huidige veehouderij niet deugt en toe is aan een ingrijpende verandering. ”De afgelopen tijd heeft hoogproductieve landbouw een nare nasmaak gekregen. Toch is er juist ook meer ruimte voor andere opgaves zoals de natuur, als we hoogproductieve landbouw koesteren”, zei ze tijdens haar presentatie in de Tweede Kamer.
”De landbouw is in ontwikkeling, dat is hij altijd”, aldus Wiersma. ”De landbouw ziet er nu volstrekt anders uit dan 100 jaar geleden en over honderd jaar zal dat opnieuw zo zijn. Ik wil daarbij benadrukken dat dit geen ‘transitie’ is, waarin voor mijn gevoel een waardeoordeel gegeven wordt, maar een door-ontwikkeling. Als overheid staan wij ervoor aan de lat dat te faciliteren met deugdelijk beleid.”
Melkveehouderij bereidt zich voor op inhaalslag
Volgens Wiersma hebben we een hoogwaardige landbouwsector die toonaangevend is, wereldwijd. De praktijk laat echter zien dat onze hoogproductieve landbouw behoorlijk achterloopt bij ontwikkelingen in het buitenland. En dan hoeven we niet eens te kijken naar China waar XXXL-stallen miljoenen varkens huisvesten. In Nederland bereidt de melkveesector zich voor op een inhaalslag, richting meer en groter. Nederland loopt helemaal niet zo voor op andere landen, zo blijkt. De Nederlandse voorzitter van de European Dairy Farmers voorspelt de komst van een ”nieuwe sector”. Dan doelt hij niet op een transitie, maar op groei, op meer productie per koe.
”De diversiteit ìn bedrijven die er nu is, die blijft. De schaalvergroting gaat gewoon door, net als de technische verbetering als we over de huidige mest- en milieuperikelen heen zijn. In Amerika halen de voorlopers 15.000 liter melk uit de koe, in Denemarken gaat het gemiddeld richting 12.000 liter. We worden van de weg gereden met onze ruim 9.000 liter per koe in het duurste land van de wereld met de duurste grond en de duurste arbeid. Daar moet de periferie zich op gaan richten, de boeren in die ontwikkeling ondersteunen”, zegt Henk Schoonvelde. Friesland Campina moedigt een hogere productie per koe aan, door een premie te zetten op CO2-reductie. Hoe meer melk een koe produceert, hoe minder uitstoot per liter, is de redenatie.
Cijfers bevestigen verdere intensivering
De cijfers bevestigen het beeld van een verdere intensivering van de melkveehouderij in Nederland: met minder koeien meer melk produceren. De Nederlandse melkproductie kwam in 2024 uit op een volume van ongeveer 14,4 miljard kilogram. In 2025 telde Nederland 1,5 miljoen melkkoeien. Er werd een volume bereikt van circa 14,6 miljard kg melk, hetgeen neerkomt op een gemiddelde productie van bijna 9600 kg per koe. Voor 2026 wordt een verdere stijging verwacht. De stallen staan vol vanwege de verwachte stikstofmaatregelen en aangekondigde subsidies voor stoppers.
Hoe snel de intensivering gaat, blijkt ook uit de cijfers over het aantal melkkoeien per bedrijf. In 2015 bevond nog geen 12% van het melkvee zich op bedrijven met meer dan 200 koeien. Tien jaar later was dat aandeel gestegen naar ruim een kwart.
Greenwashing en welfarewashing
Als boeren en hun belangenbehartigers spreken over een transitie naar dierwaardigheid, dan gaat het veelal over bescheiden ingrepen in bestaande veehouderijsystemen. Aanpassingen worden gebracht als (onderdeel van een) transitie, maar in feite houden ze een systeem in stand. Ze dienen veelal als greenwashing, welfarewashing. Zoals On the way tot planet proof, een keurmerk dat boeren aanzet tot een goede verzorging van hun dieren, een bedrijfsvoering die enigszins ruimte biedt aan natuurlijk gedrag, en de aanleg van een stukje kruidenrijk grasland. Deze bedrijven zijn vaak te herkennen aan een bijenhotel langs de kant van de weg. Niet bepaald en plek waar je als bij een overnachting zou boeken.
WUR-onderzoekers signaleren een vergelijkbare misvatting als het gaat om de transitie van het landelijk gebied. Transitie dreigt, net als duurzaamheid, een leeg begrip te worden, iets waaraan iedereen een eigen invulling geeft. Beleidsdocumenten blijken weinig maatregelen te bevatten met potentie voor een daadwerkelijke transitie, stellen ze vast. De vraag welke gedragsverandering nodig is of welke praktijken niet langer wenselijk zijn, blijft onbeantwoord. Weerstand tegen en taboes rond een mogelijke transitie krijgen weinig aandacht, aldus de onderzoekers.
”We zijn al dierwaardig”
”We zijn al dierwaardig”, laat de voorzitter van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders (NVP) medio 2024 weten als hij bekend maakt uit het Convenant Dierwaardige Veehouderij te stappen. Volgens hem voldoen de leghennen- en vleeskuikenbedrijven aan de zes principes van de Raad voor Dierenaangelegenheden. Dit zou betekenen dat er in de stallen genoeg mogelijkheden zijn voor natuurlijk gedrag, dat de kippen gezond zijn en geen pijn lijden, en dat ze in staat zijn een positief emotionele toestand te bereiken.
Roepen dat je iets niet hoeft, terwijl de ware reden is dat je er geen zin in hebt, is een algemeen menselijk trekje. In het sociale verkeer wordt dat meestal wel geaccepteerd. Maar in dit geval heeft de voorman van de pluimveehouders toch een behoorlijk geloofwaardigheidsprobleem. Om maar wat te noemen, een bedrijfstak waarin geregeld miljoenen dieren worden vergast omdat er een besmettelijke ziekte heerst, kan zichzelf moeilijk het etiket ”dierwaardig” opplakken. En dan hebben we het nog maar even niet over een ander drama in de hedendaagse pluimveehouderij. Driekwart van alle leghennen loopt rond met breuken in het borstbeen. Gevolg van het huisvestingssysteem en mogelijk ook van een (te) hoge eierproductie.
Megastallen
En wat te denken van ongeveer de helft van de vleeskuikens in Nederland, die nog altijd als plofkippen kunnen worden aangeduid. De andere helft is weliswaar, dankzij het Beter Leven Keurmerk 1 ster, van een trager groeiend ras, maar dat betekent nog niet dat hun leven het waard is om geleefd te worden. Ze lijden minder ernstige pijn, maar ze lijden nog steeds. Bovendien blijkt het Beter Leven Keurmerk 1 ster een alibi voor schaalvergroting. In feite faciliteert de Dierenbescherming – eigenaar van het keurmerk – de komst van megastallen.

De eigenaren van die megastallen hebben op een of andere wijze een overdekte uitloop – verplicht voor bedrijven met een Beter Leven Keurmerk 1 ster – weten te realiseren. Bij driekwart van de bijna 500 bedrijven met 1 ster ontbreekt die nog. De Dierenbescherming hanteert een uitzonderingsregeling tot 2027.
Het is trouwens de vraag of die uitloop wel zo’n goed idee is, wanneer het vloeroppervlak mag worden meegerekend als leefruimte. Een bedrijf dat in de stal eerst een derde minder kippen mag gaan houden (vereiste van 1 ster), kan dan toch weer met 20% uitbreiden. Daarmee wordt het extraatje op het gebied van dierenwelzijn voor een belangrijk deel teniet gedaan. Het is ook nog eens uiterst onzeker wat dit betekent voor de uitstoot van ammoniak en stank. Zie Advies voorzorgcorrectie emissies uit stallen met vleeskuikens gehouden volgens Beter Leven keurmerk 1 ster. Het toont in elk geval maar weer eens aan dat het ”verdiervriendelijken” van de intensieve veehouderij stukloopt op een systeem, waarin niet het dier uitgangspunt is, maar zoveel mogelijk geld verdienen.
Beleid en praktijk
Er is een verschil tussen de wereld van het beleid en de wereld van de praktijk. Voor een deel sluiten die op elkaar aan, voor een ander, belangrijk deel – daar waar de transitie al gestalte krijgt – niet. De grootverdieners in de huidige veehouderijsysteem doen sterk denken aan de machtige olieconcerns die voor de bühne wat doen aan hernieuwbare energie. Ze blijken niet bij machte en ook niet van plan om van koers te veranderen. Big agro, big oil, big pharma – grote winsten leiden tot grote investeringen en die hebben zo hun eigen dynamiek. De overheid faciliteert.
Alles lijkt te worden bepaald door de export van vlees en melk vanuit Nederland. De veehouderij moet concurreren met bedrijven in landen waar veel goedkoper kan worden geproduceerd. Het zijn kostbare vierkante meters waarop Nederlandse varkens-, kippen- en koeienboeren hun dieren houden. Dat belemmert de transitie.
Schaalvergroting en intensivering zetten door: nog meer megastallen
Cijfers laten zien dat de schaalvergroting en intensivering in Nederland doorzetten. Het aantal dieren neemt over het geheel genomen af, maar de bedrijven worden groter. De concentratie van dieren op één plek neemt toe. Dierenwelzijnsorganisatie Wakker Dier heeft het Wageningen Environmental Research laten uitrekenen: op 1 april 2025 telde Nederland 1.095 megastallen. Meer dan ooit. Daarnaast neemt het aantal megabedrijven toe. Dat zijn bedrijven met meerdere grote locaties.
De intensivering en schaalvergroting doen zich vooral voor in de melkveehouderij. Daar nam het aantal megastallen toe van 514 naar 660 megastallen. Tegelijkertijd kromp het totale aantal melkkoeien. Minder koeien dus, maar een groter deel van die koeien staat in een megastal, aldus het rapport Megastallen in Nederland (2026).
Nederland showroom en proeftuin van het agro-industriële complex
Er is vanuit de Nederlandse agro-industrie, de veevoerproducenten en de fokbedrijven, een duidelijke trend waarneembaar richting Oost-Europa, Midden Oosten, Azië. Nederland is nog altijd goed voor een lucratieve export van vee, vlees, ei- en zuivelproducten, maar de nadruk komt steeds meer te liggen op de export van kennis en kennisproducten.
De Nederlandse vee-industrie dient daarbij steeds meer als showroom en proeftuin van de intensieve houderij. Hier wordt uitgezocht hoe ver bedrijven met het houden van dieren kunnen gaan, waar de economische grenzen liggen; de resultaten daarvan worden aangeboden op markten in Verweggistan. Zo maakte voergigant De Heus de afgelopen jaren dikke winsten. De omzet van het bedrijf was in 2026 gegroeid naar 6,2 miljard, waarvan iets meer dan de helft werd gerealiseerd in Europa en de rest daarbuiten. Zo werden in Azië 17 fabrieken overgenomen. (Lees interview met Gabor Fluit in FD van 21 februari 2026)

Lobby en desinformatie
De grote zuivelproducenten verzekeren zich van een constante aanvoer van melk door melkveehouders te voorzien van meer dan redelijke prijzen en toeslagen. Daarmee dragen ze bij aan voortzetting van het huidige productiesysteem. Ze willen dat best voorzien van een groen randje. Maar het systeem op de helling zetten? Ho, maar. Met een hoop desinformatie worden mythes in stand gehouden, zoals ”De hele wereld bewondert het Nederlandse landbouwsysteem”, ”Nederland loopt voorop met innovatie”, ”Nederland is belangrijk voor de voedselzekerheid”, of ”Nederland is na de VS de grootste voedselexporteur ter wereld.”
Dat laatste klopt ten dele: Nederland voert veel landbouwproducten uit. Daar hoort wel een kanttekening bij: een derde deel daarvan komt uit andere landen, wordt hier bewerkt, en verder verhandeld. En voor de productie van vlees, zuivel en eieren in Nederland zijn enorme importen nodig van sojabonen en -schroot.
De Nederlandse landbouw gebruikt ongeveer 1,6 miljoen hectare landbouwgrond binnen Nederland. Daarnaast is voor de huidige voedselproductie, -consumptie en -export zo’n 4,7 miljoen hectare landbouwgrond in het buitenland nodig. Deze grond in het buitenland wordt gebruikt voor de productie van voedsel en vooral veevoer dat Nederland importeert, zo blijkt uit een studie van onder anderen Imke de Boer.
Het land dreigt te worden vol gezet met mestvergisters
Toch weet de melkveesector samen met de varkenssector en de kalversector een transitie vooralsnog tegen te houden. Het aanhoudende mestoverschot in deze sectoren is na het verlies van de derogatie uitgegroeid tot een financieel knelpunt. Dat is goed op te vangen door een reserves die zijn opgebouwd, maar daar komt eens een einde aan. In antwoord daarop dreigt het land te worden vol gezet met mestvergisters.
FrieslandCampina en Rabobank hebben een consortium gevormd, dat steun krijgt van ZuivelNL, LTO Nederland, Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV), Stichting Brancheorganisatie Kalversector, Vitale Varkenshouderij Coviva), het Nederlands Centrum Mestverwaarding en enkele energiebedrijven (Vattenfall, Gasunie, Eneco, Enexis). Afnemers van ”groen gas” zijn gewaarschuwd. Wil je met je energierekening niet wil meebetalen aan de in stand houding van de vee-industrie? Dan weet je wat je te doen staat.
Eat more trees
De Nederlandse veehouderij loopt niet alleen achter, maar zet zich door dit soort initiatieven volledig klem. Wie kijkt naar de documentaire Eat more trees ziet al gauw wat er wel zou moeten gebeuren om een toekomstbestendige veehouderij met veerkrachtige ecosystemen te realiseren. Daar is wel wat meer voor nodig dan onze nogal armetierige, gesubsidieerde boer&natuur-initiatieven. In Nederland zijn we niet eens in staat de grutto een fatsoenlijke broedplaats te bieden, waar kuikens voldoende voedsel vinden. Alles moet nog altijd wijken voor eenzijdig ingerichte, hoogproductieve graslanden die dienstbaar zijn aan een hoge productie per hectare.
Bulkproductie met dierwaardig imago
Het ziet er voorlopig niet naar uit dat de intensieve veehouderij in z’n huidige vorm uit Nederland verdwijnt. De producenten van bulkgoederen zullen zich een dierwaardig imago proberen aan te meten om zowel nationaal als internationaal te scoren. Bij de Wageningen University & Research (WUR) staan onderzoekers klaar om aan te tonen dat industriële veehouderij en dierwaardigheid wel degelijk samen kunnen gaan. En bij het ministerie van LVVN zijn ze niet te beroerd om daarvoor de portemonnee te trekken. Een van de meest recente voorbeelden van een aanpassing van de stallen ten behoeve van dierwaardigheid, zijn een stofbadhuis en een mestschuifel in de stallen voor leghennen. Door deze aanpassingen hoeven de kippen niet langer in hun eigen poep rond te scharrelen en kunnen ze een stofbad nemen in een schone omgeving.
In een proefopstelling lijkt dat te werken. Bij WUR spreken ze al over een ”gelukkige kip door nieuwe innovaties”. Maar uitgaande van stalcompartimenten met 3000 (biologisch) tot 6.000 (Beter Leven Keurmerk) dieren zal dat geluk lang niet voor alle kippen zijn weggelegd. Simpelweg omdat al dat gebadder behoorlijk wat ruimte in beslag neemt. Het stofbaden is een collectief gebeuren, waaraan de kippen niet dagelijks, maar wel enkele keren per week willen deelnemen. Een kip heeft daarvoor op z’n minst eens in de drie dagen gedurende een half uur zo’n 30 vierkante centimeter nodig.
111 kippen per bad-beurt
Om uit te rekenen met hoeveel badruimte er rekening moet worden gehouden, ben ik uitgegaan van een mooie zomerdag. Het badhuis is open van 10 tot 19 uur. Van de 6000 kippen in een compartiment willen er deze dag 2000 kippen een stofbad nemen van een half uur. Dat zijn er 111 per bad-beurt. Dat zou bij een oppervlak van 0,3 m2 per kip betekenen een bad-oppervlak per compartiment van 33,33 m2. Bij een vloeroppervlak per compartiment van 666,66 m2 komt dat neer op een ”verlies” aan ruimte van 5%.
Dat percentage zal in de praktijk waarschijnlijk hoger uitvallen, omdat ik geen rekening heb gehouden met allerlei vertragingen in de doorstroming van de badgasten. In het badhuis moet ook ruimte zijn voor gedoe tussen kippen: ”Ik was eerst. Nee, ik was eerst”.
Kortom, een stofbashuis heeft een groot haalbaarheidsprobleem. Los daarvan, het doet niets aan een groot welzijns- en gezondheidsprobleem in de pluimvee-industrie: de eerder genoemde breuken in het borstbeen. Bijna alle kippen in de zeer veelvuldig toegepaste volièresystemen hebben er last van. Er lijkt sprake van een samenhang met de opgevoerde eierproductie. De vraag is hoe gelukkig een kip wordt van een stofbad als deze activiteit met de nodige pijn gepaard gaat.
Koplopers zijn nog schaars, maar nemen wel in aantal toe
De intensieve veehouderij mag dan nog altijd zeer dominant aanwezig zijn in Nederland, ondernemers die een alternatief zoeken in een duurzame en diervriendelijke veehouderij doen hun best de transitie van onderop vorm te geven. Ze zijn nog met weinigen, hoewel hun aantal toeneemt. Koplopers uit de varkens-, koeien-, geiten- en pluimveehouderij die met hun dieren een zeer hoge standaard naleven, hebben sinds kort de beschikking over het platform Goedgehouden. Het is een initiatief van Caring Farmers en komt voort uit de zogeheten ”Vijfsterren varkensboeren”. De voorwaarden zijn ontwikkeld met behulp van dierenartsen, wetenschappers en dierenwelzijnsorganisaties, in samenhang met het koplopersplan Dierwaardige Veehouderij van Caring Farmers.
Op de website van Goedgehouden.nl is een overzicht te vinden van 40 deelnemers, overwegend nog kleinschalige varkenshouders. Maar er zitten ook al enkele melkvee- en pluimveehouders tussen. Goedgehouden is geen keurmerk. ”Wij willen consumenten inzage geven in de keuzes die zij kunnen maken en hen stimuleren om meer te weten te komen over het leven van de dieren binnen de veehouderij”, aldus de initiatiefnemers van Goedgehouden.
1% van de varkenshouderijen voldoet aan Goedgehouden
Op dit moment is het aantal boeren dat hun bedrijf kan aanpassen aan de behoeften van het dier nog relatief klein. Zo wordt slechts 1% van alle varkens in Nederland gehouden conform de criteria van Goedgehouden. De website laat zien wie zij zijn en wat er allemaal mogelijk is. Het belooft na verloop van tijd een bonte verzameling te worden van allerlei soorten dierhouders en ook telers van gewassen die dieren inzetten op hun bedrijf.
Een mooie combinatie is al te vinden bij Natuurboerderij Boeren in het bos in Nijeberkoop. Op deze regeneratieve boerderij houden ze varkens, runderen en kippen, in combinatie met een zelfoogsttuin en agroforestry. De consument kan er terecht voor groente, fruit, vlees, eieren, noten, en zaden. Ander mooi voorbeeld van Goedgehouden is de melkveehouderij van Gerjo Koskamp, die al geruime tijd zijn kalveren drie maanden na geboorte bij de koe houdt.
Over geluksvogels, buitenvarkens en ecokoeien
Als we iets breder kijken, dan zien we dat zich bij de beweging van Caring Farmers inmiddels ruim driehonderd boerenbedrijven hebben aangesloten op het gebied van veehouderij, akkerbouw, en tuinbouw. Als het om dieren gaat, komen we namen tegen als geluksvogels, buitenvarkens en ecokoeien. Er zitten kleine, middelgrote en ook enkele grote bedrijven bij, sommige gemengd, andere gespecialiseerd. Opvallend is de diversiteit. Opmerkelijk is de groei die de beweging doormaakt. Caring Farmers streeft naar een marktaandeel van 10% dierwaardige producten in 2030. Dit zou betekenen dat:
- 10% van de zuivel komt van boerderijen waar de kalveren bij de koe blijven en de dubbeldoelkoeien met hoorns grazen in kruidenrijke weilanden
- 10% van alle eierverkoop komt van dubbeldoelkippen: kippenrassen waarvan de hennen eieren leggen en de haantjes en oude leghennen worden verkocht als vlees;
- 10% van de varkensvleesconsumptie komt van boerderijen waar álle varkens toegang hebben tot een modderpoel;
- 10% van al het vlees, eieren, zuivel wordt geproduceerd met de allerbeste slachtmethoden, zo kort mogelijk transport en met een leven waarin het dier echt wat te beleven had.
Bijzondere protestbeweging tegen de bulkproductie van de agro-industrie
Caring Farmers laat zien hoezeer de transitie van de veehouderij is verweven met de eiwittransitie. En ook met de behoeften vanuit de maatschappij om meer betrokken te raken bij de voedselproductie. Herenboeren en voedselbossen hebben een belangrijk aandeel in de beweging. Je zou het zelfs kunnen beschouwen als bijzondere protestbeweging tegen de bulkproductie van de agro-industrie.
Toch is Caring Farmers meer dan dat. De boeren die zich bij deze beweging hebben aangesloten proberen de overheid zo ver te krijgen dat pioniers, koplopers meer ruimte krijgen en belemmerende factoren worden weggenomen. De weg banen voor een transitie van onderop is kansrijker dan een top-down benadering, zo redeneren ze. Daarom: koester degenen die experimenteren met nieuwe vormen van veehouderij, waarbij het dier het uitgangspunt is, al dan niet in combinatie met de teelt van gewassen die ook zonder tussenkomst van dieren door de mens kunnen worden gegeten.
Verdeling van grond
Wat vaak buiten beschouwing blijft is dat de transitie sterk afhankelijk is van de verdeling van grond. Een goot deel van de landbouwgrond in Nederland staat ten dienste van de intensieve veehouderij, 73% wordt gebruikt voor de productie van veevoer: gras, granen, snijmais en voederbieten. De prijs van die grond is de afgelopen jaren tot ongekende hoogten gestegen. Dat verschaft de gangbare landbouw een grote machtspositie.
Urgenda heeft met onderstaande video inzichtelijk gemaakt welke reorganisatie de Nederlandse grondeigenaren met een transitie te wachten staat. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoe moeilijk het zal zijn om deze herschikking te realiseren.
Het 7 vinkjes project
Stichting Urgenda is een belangrijke medestander van Caring Farmers. Met zogeheten 7 Vinkjes-project ondersteunt Urgenda gangbare boeren bij de overstap naar regeneratieve landbouw. Ingezet wordt op behoud van weidegang, geen kunstmestgebruik, biodiversiteit, gewasdiversiteit en een maximum veedichtheid van 1,5 GVE per hectare. Hoewel niet voor alle boeren geschikt, blijkt het in de praktijk haalbaar aan deze criteria te voldoen, maar er moet wel geld bij: zo’n 1000 euro per hectare, bovenop subsidies voor agrarisch natuurbeheer. Klik hier voor een reportage over de Biesterbosch, een praktijkvoorbeeld.
Integrale aanpak
Een alternatief voor veranderingen op onderdelen is de zogeheten ”integrale aanpak”. In plaats van met allerlei oplossingen te komen voor de verschillende crises die de veeteelt in ons kleine landje teweeg brengt en de welzijnsproblemen in stukjes op te knippen, zou het beter zijn met een totaalblik naar het systeem te kijken en daarbij de focus te richten op de dieren.
Het zijn inmiddels niet alleen de dierenactivisten en organisaties als Caring Farmers die hiervoor pleiten. De invloedrijke hoogleraar gezondheid landbouwhuisdieren Arjan Stegeman van de Universiteit Utrecht (UU) zegt het zo: ”De gezondheid, het gedrag en het welzijn van dieren vormen niet alleen een moreel kompas, maar zijn ook een indicator van duurzaamheid. Een landbouwsysteem dat niet goed is voor dieren, is uiteindelijk ook niet goed voor mens en milieu. Daarom is het tijd dat we het dier weer centraal zetten in onze keuzes over de toekomst van de veehouderij.”
Biologisch als tussenstap
Ondertussen blijven de ogen gericht op de biologische landbouw. Maar deze vorm van landbouw heeft – zolang er dieren aan te pas komen – één belangrijk nadeel: zij maakt minder efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte. Simpel gezegd: in het systeem van de gangbare veehouderij betekenen meer dieren meer uitstoot, maar er is tegelijkertijd ook sprake een efficiëncyvoordeel in de vorm van een hogere productie per dier. Dat zou tot een lagere footprint per ei of liter melk leiden.
”Een belangrijke conclusie is dat het lastig is, zo niet onmogelijk, om een generieke uitspraak te doen wat nu beter voor het milieu is, gangbaar of biologisch”, concludeerden onderzoekers van Wageningen Universiteit & Research zes jaar geleden. En in feite is dat nog steeds zo. Biologische veehouderij is geen alternatief voor gangbare veehouderij, maar kan wel worden gezien als tussenstap, wanneer er al sprake is van een afname van de consumptie van dierlijke producten en dus van het telen van veevoer. Het is belangrijk die tussenstap aan te moedigen, niet in de laatste plaats vanwege de grote voordelen van de biologische boeren: ze geven hun dieren meer ruimte, mogen geen chemische bestrijdingsmiddelen en geen kunstmest gebruiken.
Geen dierlijke eiwitten meer nodig
George Monbiot beschrijft in zijn boek Regenesis wat er gebeurt als dierlijke eiwitten helemaal niet meer nodig zijn om de wereld te voeden. Omdat er zulke goede alternatieven bestaan voor de veehouderij. Bijvoorbeeld microbiële fermentatie. We zouden volgens Monbiot het grootste deel van het land dat nu wordt gebruikt voor landbouw weer kunnen teruggeven aan de natuur. ”We kunnen ons er nu nog geen beeld van vormen, maar op een dag zal dit voedsel ons misschien even vertrouwd zijn als brood en kaas – wat ooit innovaties waren in de landbouw.”
Zo’n verandering voltrekt zich aanvankelijk altijd langzaam, aldus Monbiot. Maar op een gegeven moment gaat het snel. ”Dan wordt er waarschijnlijk een kantelpunt bereikt en is het gedaan met het bestaande systeem.” En: ”Iets wordt pas onacceptabel wanneer het kan worden veranderd. Dan wordt het gemakkelijker voor overheden om subsidie af te bouwen en de regels voor milieueffecten en dierenwelzijn aan te scherpen.”
Niet dat de vertegenwoordigers van het bestaande systeem zich gemakkelijk gewonnen zullen geven. Monbiot citeert op pagina 289 Machiavelli: ”De vernieuwer vindt al degenen tegenover zich die het goed hebben onder de oude orde.” In Nederland kunnen we daarover meepraten. De tegenkrachten van de eiwittransitie hebben zich gebundeld.
Steun in de rug: de verborgen rekening blootgelegd
Soms heeft een transitie een flinke duw in de rug nodig. In november 2025 publiceerden de Robin Food Coalitie en de Transitiecoalitie Voedsel een berekening van financieel consultant Deloitte: de gangbare landbouw zorgt voor een jaarlijkse schadepost van 5,3 miljard (13,3 miljard toegevoegde waarde versus 18,6 miljard kosten door uitstoot en verlies van biodiversiteit). De verborgen rekening heet het baanbrekende rapport. Waartegen overigens vanuit de hoek van de gangbare veehouderij zware kritiek kwam. De toegevoegde waarde zou veel hoger liggen als de hele keten werd meegerekend.
Eerder waren het de Caring Farmers die het initiatief namen tot een kosten en batenanalyse van de (maatschappelijke) voordelen van een dierwaardige veehouderij. Het rapport is hier te vinden en ook in het artikel Twee wegen naar dierwaardigheid, de ene kost miljarden, de andere levert miljarden op.
De schade van een transitie naar plantaardig
Minstens zo interessant zijn de berekeningen die Anniek Kortleve maakte voor haar promotie aan de Universiteit Leiden. Zij rekende uit wat de gevolgen zijn van een gedeeltelijk en volledig plantaardig dieet ter vervanging van dierlijke eiwitten. Voor Follow the Money becijferde ze wat dat voor de Nederlandse veehouders betekent: een kleine tien procent minder vlees eten leidt tot een schadepost van 1,8 miljard op het gebied van vaste activa. Volledig plantaardig betekent een schadepost van 15 miljard. Nb. het bezit van grond heeft Kortleve buiten beschouwing gelaten.
”De transitie kan er overigens wel voor zorgen dat de grondwaarde stijgt: een hectare akkerland is 24 procent meer waard dan een hectare grasland; een woonbestemming levert een veelvoud op. Met die waardestijging kunnen veehouders het waardeverlies van hun stallen en machines eventueel compenseren”, aldus Follow the Money.
Eiwittransitie vergt diep ingrijpen in bestaand voedselsysteem
Christina Blokhuis promoveerde in 2026 aan Wageningen Universiteit op een systeembenadering van de eiwittransitie. Ze adviseert in te grijpen op de ”diepere lagen” van ons voedselsysteem. Dat althans is het meest kansrijk. Haar conclusie: ons voedselsysteem kan worden beschouwd als een complex systeem waarin bestaande structuren en actoren de eiwittransitie belemmeren. De meest veelbelovende oplossingen met de meeste potentie om de eiwittransitie te versnellen zijn: meer wet- en regelgeving, aanpassen aanbod en verschuiven van de sociale norm.
Zolang voorstellen in die richting van de Partij voor de Dieren komen, zullen de tegenkrachten van de eiwittransitie zich koest houden, Maar ze zullen de messen slijpen wanneer politici van andere partijen het wagen deze aanpak over te nemen. Wat D66-er Tjeerd de Groot begin jaren twintig over zich heen kreeg toen hij voorstelde de veestapel te halveren, zal daarbij in het niet vallen. Om het massieve verzet van de agro-industrie te omzeilen, zit er niets anders op dan buiten de gangbare veehouderij en het gangbare voedselsysteem om de eiwittransitie van onderop vorm te geven. Voor de overheid – op nationaal en Europees niveau – ligt vooralsnog een mooie dubbelrol in het verschiet. Een rol die én het gangbare systeem niet al teveel in de weg zit én de weg vrij maakt voor alternatieven.
Stel dat Extinction Rebellion de aanvoer van soja plat legt
Onverwachte gebeurtenissen zouden behulpzaam kunnen zijn om de boel aan het schuiven te krijgen. Die zijn zeker niet uitgesloten. Denk aan plotselinge, ernstige verstoringen van de grondstoffenmarkt. Die kunnen de intensieve veehouderij in korte tijd op z’n kop zetten. De schaalvergroting in de veehouderij is sterk afhankelijk van de import van soja. De grote veevoerproducenten hebben vooralsnog geen alternatieven en ook hun voorraden zijn beperkt.
Stel dat Extiction Rebellion de aanvoer plat legt of dat oogsten worden vernietigd. Wageningen Universiteit waarschuwt in een rapport over Europese voedselautonomie voor klimatologische veranderingen en geopolitieke ontwikkelingen. ”Soja en mais zijn belangrijke veevoercomponenten en als de leveringszekerheid van deze grondstoffen afneemt, kan dat aanzienlijke gevolgen hebben voor de Europese veehouderij.”
Sojabonen en -schroot zijn belangrijke ingrediënten voor diervoeder vanwege hun hoge eiwitgehalten. Van het totale EU gebruik wordt respectievelijk 84% en 97% geïmporteerd van buiten de EU. De EU is kwetsbaar voor verstoring in de import van soja, aldus het rapport.