Turbokippen leggen gouden eieren

Foto CC Null/ Marco Verch

De pluimveeindustrie heeft het stadium van de gouden eieren bereikt. Genetisch opgevoerde turbokippen eten minder en produceren steeds meer. Ze zijn inmiddels in staat in 100 weken meer dan 500 eieren te leggen. Extra inkomsten dus én een fikse besparing voor de pluimveehouders. Met eierprijzen die al geruime tijd twee keer zo hoog zijn als vijf jaar geleden, maakt de industrie dikke winsten.

Voergroep Zuid, een grote producent en leverancier van mengvoer, bericht op pluimveeweb.nl over een buikvetmonitor. Daarmee kan de houder van leghennen bepalen of de dieren niet te dik zijn. Hoe meer voer, hoe meer buikvet en dat heeft een negatieve invloed op het aantal eieren dat een kip legt. De zaken gaan kennelijk zo goed dat een bedrijf in diervoeders aangeeft dat kippen beter niet teveel kunnen eten.

Niet alleen genetica en een uitgekiend dieet, ook gezondheid speelt een grote rol bij het behalen van topprestaties. Is het aantal eieren per hen in een kleine dertig jaar tijd met een kwart toegenomen en kunnen ze dat resultaat behalen met een kwart minder voer, virusziekten zijn ondanks vaccinatie moeilijk uit te bannen. Dat komt door mutaties en doordat een strak voerregime kan leiden tot stress, waardoor het immuunsysteem wordt aangetast..

Met andere woorden: de pluimveeindustrie balanceert op het randje van wat mogelijk is. Tien jaar geleden waarschuwde Servé Hermans van fokbedrijf Hendrix Genetics al voor de gevaren van het streven naar de allerefficiëntste kip. “Eigenlijk”, zei Hermans destijds tegen One World, “ben ik heel triest. Ik zie dat het verkeerd gaat. Maar wat kunnen wij doen? Wij maken gewoon kippen.”

Zoveelste onderzoek naar de achterste teen van de haan

Haan met gave achterste tenen. Foto Jan Smit/Dierenbeeldbank (Voor de goede orde: dit is een foto van een Hollandse hoen/haan. Bij dit ras is het geen gebruik om het puntje van de achterste teen af te knippen. Deze ingreep heeft vooral plaats bij de commercieel gehouden rassen).

Onderzoek na onderzoek, uitstel na uitstel. Nog steeds mogen houders van zogeheten vleeskuikenouderdieren het puntje van de achterste teen van de haan wegbranden, of ”behandelen”, zoals dat heet. Ook al is dat verboden.

De ingreep – die de integriteit van het dier aantast – wordt uitgevoerd op basis van een vrijstelling. In 2021 zou daar een einde aan komen. Er volgde uitstel tot 2023, daarna tot 2025. Het lot van de hanenteen is al enige tijd in handen van een stuurgroep. Daarin is de pluimveesector ruim vertegenwoordigd. De stuurgroep adviseert de minister. Hetgeen betekent: vertragen zolang je kunt, het ministerie van LVVN meewerkt en de Tweede Kamer niet moeilijk doet.

Wageningen Livestock Research gaat nu op tien bedrijven nader onderzoek doen. Daar hebben ze nog tot eind 2026 de tijd voor gekregen.

Nederland telt circa 200 vermeerderings- en opfokbedrijven. Het gaat volgens het CBS om tien miljoen opfokleghennen (inclusief ouderdieren), 4,5 miljoen ouderdieren vleeskuikens en 2,5 miljoen opfokouderdieren vleeskuikens. Hennen en hanen lopen er samen in één stal. Bevruchte eieren gaan naar de broederij. Een sterk op de export gerichte sector, een zeer lucratieve business.

Minder hanen zou een oplossing kunnen zijn

De winstgevendheid van deze sector hangt nauw samen met de productiewijze. Daarin speelt het wegbranden van het puntje van de achterste teen van de hanen een belangrijke rol. Gebeurt dat niet, dan raken de hennen nogal eens beschadigd als de hanen er bovenop gaan zitten om ze te bevruchten. Dit zou verholpen kunnen worden door minder hanen te houden en vooral minder zware hanen, zodat het niet nodig is hun achterste teen af te branden. Maar ja, een productiewijze met minder (zware) hanen betekent uiteindelijk minder omzet en daar houden de pluimveevermeerderaars niet van.

”Als sector moeten we steekhoudende argumenten voor vrijstelling kunnen aandragen bij het ministerie. Hiervoor is praktijkonderzoek cruciaal”, zegt pluimveevoorman Kees de Jong over het nieuw gestarte onderzoek op pluimveeweb.nl. Hij roept bedrijven op om aan het onderzoek mee te werken. Volgens hem is er nog een kleine kans op verdere vrijstelling van het verbod.

Het nieuwe onderzoek behelst maatregelen die het inzetten van hanen zonder ”tenenbehandeling” mogelijk moeten maken: minder hanen (7% minder op 25 weken leeftijd), het lichaamsgewicht van de hanen op een lager niveau houden en een lagere lichtsterkte (10-20 lux) in het begin van de legperiode (tot circa 25 weken leeftijd). 

1 juli 2028 is nieuwe streefdatum

Pluimveeorganisatie Avined gaat ervan uit dat er nog wel een paar jaar nodig zijn om van het afbranden van het puntje van de achterste teen af te komen. ”Onderzoek en monitoring van praktijkervaringen met innovaties in stalsystemen en/of managementfactoren zijn erop gericht per 1 juli 2028 de behandeling van de achterste teen bij hanen in de vermeerderingssector verantwoord achterwege te kunnen laten.” (Pluimveevisie 2040)

Partij voor de Dieren wil volgend jaar verbod op nieuwe stallen bio-industrie

In deze megastal van Plukon Food Group uit Wezep, gevestigd aan Gasselteboerveenschemond 4, zou plek zijn voor 120.000 kippen. Er zijn ook documenten die berichten over 244.000 leghennen. Het bedrijf bestond aanvankelijk uit vijf, daarna zes en nu zeven stallen. Op het bedrijf is begin oktober 2025 vogelgriep uitgebroken. Alle hennen zijn vergast. Kees de Jong van LTO pluimveehouderij noemt het in het Dagblad van het Noorden ”één van de grotere en mooiere bedrijven van Nederland”. Eerder zijn al eens op deze plek 160.000 kippen omgekomen door een stalbrand (beeld: Googlemaps)

Beloofd is beloofd: op 13 oktober 2025 heeft de Partij voor de Dieren een nieuwe versie van een initiatiefwet voor afschaffing van de bio-industrie bij de Tweede Kamer ingediend. Na een advies van de Raad van State is de in 2024 ingediende versie aangepast. De partij wil een spoedig verbod op nieuwe stallen die geen ruimte bieden aan natuurlijk gedrag.

Vanaf 1 januari 2030 zijn – als het aan de Partij voor de Dieren ligt – alle pijnlijke lichamelijke ingrepen verboden. Dan is het niet meer mogelijk biggenstaartjes af te branden, kalfjes te onthoornen, tenen bij hanen te verwijderen, en de snavels van kippen en kalkoenen af te knippen. De termijn van vijf jaar is op aanraden van de Raad van State vastgesteld. Een eerder verbod, zoals aanvankelijk het plan was, zou tot juridische procedures kunnen leiden.

De initiatiefwet zal na de verkiezingen op 29 oktober door de nieuwe Tweede Kamer worden behandeld. Om een einde te kunnen maken aan de bio-industrie is een ingrijpende wijziging van de Wet dieren noodzakelijk. In lijn met een eerdere wetswijziging is het vizier van de Partij voor de Dieren gericht op 2040. Deze termijn is volgens de partij nodig om een meerderheid te krijgen in Tweede en Eerste Kamer.

Bouwstop per 1 juli 2026

De initiatiefwet beoogt dieren niet langer aan te passen aan het systeem, maar het systeem aan te passen aan het dier, aldus de Partij voor de Dieren. Om te voorkomen dat de bio-industrie nog nieuwe stallen gaat bouwen, voorziet de initiatiefwet vanaf 1 juli 2026 in een bouwstop.

Dat zal nog een hele discussie gaan geven, want vertegenwoordigers van de bio-industrie pleiten juist voor het verbouwen of vernieuwen van hun stallen om een dierwaardige veehouderij te realiseren. Dat vraagt volgens de vicevoorzitter Eric Stiphout van de Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV) om nieuwe staltypen. Op de website van Nieuwe Oogst zegt hij: ”De hokverhouding moet zodanig zijn dat er functiegebieden ontstaan en daglicht de stal binnenkomt. Dagontmesting verbetert het klimaat in de varkensstallen en moet ertoe bijdragen dat de mestkosten dalen.”

Ondertussen gaat schaalvergroting door

De uitspraken van Van Stiphout staan niet op zichzelf. Ze passen binnen het nieuwe denkkader van de intensieve veehouderij. Deze sector wil het liefst uitbreiden om met nog meer dieren in wat ruimere stallen hun lucratieve business te kunnen voortzetten. Er is nog altijd een omvangrijke schaalvergroting gaande. Gerealiseerde uitbreidingen van de afgelopen jaren in bijvoorbeeld de vleeskuikenindustrie zijn daar een voorbeeld van. Zie Megastal met Beter Leven Keurmerk. Hoe dat mogelijk is in tijden van een stikstofcrisis, laat zich raden.

Meer megastallen in melkveehouderij, minder weidegang

Duidelijk is dat de op export gerichte productie van vlees en eieren het tempo en de richting van verandering naar een dierwaardige veehouderij dicteert. En dat er vooral ook een tegengestelde beweging gaande is. Dat geldt zeker voor de melkveehouderij. Eén op de zeven koeien leeft inmiddels in een megastal, zo blijkt uit onderzoek.

Het aantal megastallen in de melkveehouderij (> 250 koeien) is in de periode 2021-2025 met 28% gestegen. Van de 660 megastallen in 2025 tellen 55 locaties meer dan 500 koeien. In 2024 waren het vooral de megabedrijven die geen weidegang toepasten: 45%. De bedrijven die melkkoeien wél naar buiten laten, laten hun dieren doorgaans minder lang in de wei vergeleken met de kleinere bedrijven. Zo komen melkkoeien op megabedrijven nog geen 1.000 uur per jaar buiten, terwijl dat bij bedrijven met een grootte tot 50 melkkoeien meer dan het dubbele is.

Wetgeving kan tendens keren

Om deze tendens te keren is wetgeving nodig die veel verder gaat dan de AMvB van demissionair minister Wiersma. Volgens de initiatiefwet van de Partij voor de Dieren moet de veehouderij voorzien in de gedragsbehoeften van de dieren die ze houden. Dat vergt ingrijpende wijzigingen van stalsystemen die niet met een aanpassinkje hier en een verbouwinkje daar gerealiseerd kunnen worden.

Van dierwaardige veehouderij naar ‘humane livestock farming’

Op de cover van het vertaalde RDA-advies Humane Livestock Farming prijkt het ideale plaatje van een dierwaardige melkveehouderij: een koe met hoorns plus kalf

In internationaal verband loopt Nederland graag voorop. Althans, Nederland zegt voorop te lopen. Of dat feitelijk zo is, valt te bezien. Het gaat vrijwel altijd om woorden. Zelden maken deze woorden iets duidelijk. Meestal moeten ze iets verhullen. Soms ontstaat er verwarring.

Zoals in het geval van een ‘’dierwaardige veehouderij’’. In 2021 kwam de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) met een advies aan de Nederlandse regering over de toekomst van de veehouderij. Die moest dierwaardig worden. De Tweede Kamer zorgde ervoor dat dit doel een wettelijke basis kreeg (artikel 2.3a Wet dieren).

Modernisering dierenwelzijnswetgeving in Europa

Maar met al deze vooruitstrevendheid internationaal de boer op gaan, kan tot onverwachte hoofdbrekens leiden, zo blijkt. Zeker als een ‘’dierwaardige veehouderij’’ zich nog in een voorbereidende fase bevindt en we een minister hebben die er – zacht uitgedrukt – weinig fiducie in heeft.

Toch moest de BBB-minister Wiersma iets, toen de EU vroeg te reageren op voorstellen voor de modernisering van de dierenwelzijnswetgeving in Europa. Dat is niet zo maar een verzoek. ‘’Een call for evidence’’ heet dat in EU-kringen. Hetgeen betekent dat lidstaten, belanghebbenden en organisaties een onderbouwde visie mogen geven op wetsvoorstellen.

Je zou zeggen: appeltje-eitje voor Nederland. Mooi moment om te laten zien hoe we hier bezig zijn met het optuigen van een dierwaardige veehouderij, oftewel keeping livestock according to the principles of animal dignity. Er is genoeg onderzoek gedaan, er is een convenant opgesteld, er komt als het goed is speciale wetgeving en van verschillende kanten wordt aangedrongen op een gelijk speelveld in Europa. Dus als Nederland op de dierwaardigheidstoer gaat, dan ook de andere lidstaten. Dit is een kans.

Er werd een vertaler aan het werk gezet

Maar nee. Het was al eerder opgevallen: Wiersma vindt de Nederlandse veehouderij al dierwaardig genoeg. Het kan natuurlijk altijd beter, maar niet teveel en niet te snel graag. Nederland loopt al voorop nietwaar? De grote industriële bedrijven moeten wel mee kunnen doen. Het moet haalbaar en betaalbaar blijven.

Er werd een vertaler aan het werk gezet. De titel van het RDA-advies uit 2021 veranderde van ‘’Dierwaardige veehouderij’’ in ”Humane Livestock Farming’’. Niet alleen de titel werd gewijzigd. In het rapport dat Wiersma als bijlage meestuurde met de kabinetsreactie naar de Europese Commissie komt het Engelse equivalent van een dierwaardige veehouderij niet meer voor. Overal staat humane livestock farming. Bovendien werden hier en daar wat opvallende aanpassingen gedaan. Zoals de afzwakking van ‘’zoveel mogelijk’’ in ‘’waar mogelijk’’ als het gaat om het voorkomen van een inbreuk op de integriteit en het welzijn van dieren.

Wat is het verschil? Simpel gezegd: in een dierwaardige veehouderij staat het dier centraal. Een AI-vertaling zou van dierwaardige veehouderij animal friendly livestock farming hebben gemaakt. Een term die volgens AI wordt gebruikt ‘’om een vorm van veehouderij te beschrijven die prioriteit geeft aan de behoeften en het welzijn van dieren, in plaats van ze alleen als productiemiddelen te zien.’’ 

Wat betekent humane livestock farming?

Wat humane livestock farming betekent, mag Joost weten. Dat het om mens én dier gaat? Daar lijkt het wel op, Wiersma een beetje kennende. De kabinetsreactie gericht aan de EU, geeft de volgende toelichting: ‘’De gedragsbehoeften van de dieren zouden een beginpunt moeten zijn om te bepalen welke houderijvoorschriften moeten worden gesteld en stallen moeten worden ingericht om in de gedragsbehoeften van dieren te voorzien. Uitvoerbaarheid en betaalbaarheid vormen daarbij cruciale randvoorwaarden.’’

Wat de RDA van humane livestock farming vindt? Prima, zo te zien. Op de website is een speciale pagina ingericht voor de Engelstalige versie van de zienswijze uit 2021. ‘’What’s in a name?’’, zullen ze bij de RDA gedacht hebben. Zolang de inhoud maar grotendeels onaangetast blijft.
De principes van een dierwaardige veehouderij staan op de website van de RDA nog fier overeind. Ook in de Engelstalige versie, zoals principe 5 (‘’humane livestock farming provides sufficient opportunities for the animal to perform essential natural behaviours’’) en principe 6 (‘’a system is ‘humane’ if it enables the animal to respond to changes in its social and physical environment and to achieve a mental state that it experiences as predominantly positive’’).

Verwarring

In Europa zal de verwarring groot zijn. Wat wil Nederland nu eigenlijk? Een dierwaardige veehouderij, animal centered livestock farming, humane livestock farming? Toewerken naar een meer dierwaardige humane veehouderij, heeft Wiersma ervan gemaakt, zo blijkt uit de feedback op de call for evidence. Met de kanttekening dat de kosten voor de melkveehouderij aanzienlijk zullen zijn en in de varkenshouderij zeer fors. De pluimveehouderij krijgt de maken met een groot effect op de opbrengsten. Verder geeft ze aan dat er zoveel voetangels en klemmen zijn dat de realisering van een meer dierwaardige humane veehouderij nog heel ver weg is. Maar, vergeet ze niet te vermelden: Nederland loopt al voorop in de EU als het gaat om dierenwelzijn.


Ook de mens heeft profijt van ‘humane animal husbandry’

Wageningen Universiteit – nauw betrokken bij het onderzoek naar een dierwaardige veehouderij en de totstandkoming van het convenant ‘’Stappen naar een dierwaardige veehouderij’’ – heeft de vertaling van het begrip inmiddels overgenomen. Wel met wat slagen om de arm. Naast een dossier over dierwaardige veehouderij is er een thema-pagina over animal centered livestock farming, maar er is ook een dossier over humane animal husbandry. Daar vinden we iets meer uitleg over wat dat humane nu eigenlijk inhoudt: ‘’Humane livestock farming is about quality of life from the animal’s perspective and offering the animal a life worth living. Or “happiness” in human terms.’’
Maar het profijt van humane animal husbandry voor de mens is niet ver weg: ‘’Striving to achieve a positive state of being enables the animal to feel good, but it also benefits humans.’

Contradictio in terminis

Voor velen is het gebruik van het woord humaan in relatie tot de vee-industrie uit den boze. Het is een contradictio in terminis, vinden ze: de begrippen zijn met elkaar in tegenspraak (zie het hieronder weergegeven statement (aangetroffen bij Sentient Rights Ireland). Anderen benadrukken dat het woord humaan verwijst naar de mens en de menselijke waardigheid. Wie het bijvoorbeeld heeft over een humane wijze van slachten, bedoelt dat een slachting naar menselijke maatstaven acceptabel is.

De Partij voor de Dieren pleit in haar verkiezingsprogramma 2025 voor de invoering van glazen wanden in slachthuizen en stallen, zodat iedereen kan zien wat daar binnen gebeurt. Het gebruik van het woord humaan wordt door de PvdD verhullend genoemd. Aan dergelijke misleidende communicatie moet een einde komen.

Wetgeving dierwaardige veehouderij: te laat en veel te mager

Houders van varkens, pluimvee en melkvee hadden een dikke vinger in de pap bij het opstellen van de ”Conceptregeling AMvB dierwaardige veehouderij”. Daardoor stellen de lang verwachte aanpassingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren bar weinig voor.

Demissionair landbouwminister Wiersma is verantwoordelijk voor deze vergaande inmenging in het wetgevingsproces. Ze doet geen pogingen dat te verhullen. Dat vertegenwoordigers van de intensieve veehouderij een belangrijke stem in het kapittel hadden, blijkt overduidelijk uit de toelichting op de AMvB. Overigens is de kans groot dat de AMvB ergens blijft hangen tussen twee kabinetten in. En dat is misschien maar goed ook. Met wat Wiersma heeft gebrouwen komt een dierwaardige veehouderij geen stap dichterbij.


Update 20 februari 2026:
Nieuw kabinet pakt draad AMvB dierwaardige veehouderij weer op


Lang verwacht

In april 2025 zouden er algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) komen met het oog op een dierwaardige veehouderij in 2040. Het bleef lange tijd opmerkelijk stil. Het ministerie van LVVN publiceerde het ene na het andere document (over het stelseltoezicht vleesketen, de economische draagkracht van de schapenhouderij, een blackbox-systeem voor de garnalenvissers en antwoorden op vragen over wolven en stroperij – om maar wat te noemen), maar de AMvB’s lieten op zich wachten.

Internetconsultatie

Tot 24 juni 2025. Toen verscheen er ineens een ”Conceptregeling AMvB dierwaardige veehouderij” op de website van de overheid. De publicatie is onderdeel van een zogeheten internetconsultatie, bedoeld ”voor iedereen die werkt met productiedieren in de veehouderij, waaronder veehouders en erfbetreders zoals dierenartsen en stallenbouwers (met name van melkvee, kalveren, pluimvee en varkens), en/of zich bezighoudt met of inzet voor het welzijn van productiedieren.”  

Amendement De Groot en Van Campen

Kennelijk zat de inmiddels demissionaire minister Wiersma er niet mee dat er een deadline afliep. Dat ultimatum was te danken aan oud-D66 kamerlid Tjeerd de Groot en VVD-er Thom van Campen. Een meerderheid van de Tweede Kamer stemde vorig jaar in met hun amendement dat de minister opdroeg om in 2025 bijtijds met AMvB’s te komen. Dit alles bij wijze van alternatief voor het zogeheten amendement Vestering. Het was een poging alsnog een dierwaardige veehouderij wettelijk te regelen.
Uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel moeten de genoemde Algemene Maatregelen van Bestuur voor varkens, pluimvee, melkvee en kalveren aan de Kamers worden voorgehangen”, bepaalden de indieners in de toelichting op het amendement.

Wiersma overschrijdt gestelde termijn

Het amendement De Groot/Van Campen, dat een wijziging inhield van de Wet Dieren, is op 14 juni 2024 in het Staatsblad gepubliceerd. Hetgeen betekent dat Wiersma ruim over de gestelde termijn is heen gegaan. De AMvB die ze nu heeft gepubliceerd zal gedurende de internetconsultatie zes weken beschikbaar zijn voor commentaar. De zogeheten ”voorhang” bij de Tweede Kamer volgt uiterlijk najaar 2025, aldus Wiersma.

Na de val van het kabinet Schoof heeft de Tweede Kamer verschillende dierenwelzijnsonderwerpen controversieel verklaard. Daar zit de AMvB niet bij. Simpelweg omdat de kamerbrief over dierwaardige veehouderij op 24 juni is verstuurd, nadat de Tweede Kamer al een inventarisatie van controversiële onderwerpen had opgesteld. De kans is groot dat de Kamer na de internetconsultatie de AMvB alsnog controversieel verklaart. (Update 12 september 2025: AMvB voorlopig van de baan)

Dat Wiersma termijnen niet in acht heeft genomen, zegt iets over de waarde die zij hecht aan wetgeving en procedures die daarbij horen. En ook over de opvattingen die zij en haar partij BBB hebben over dierwaardigheid. De twittercampagne die haar partij met het oog op de verkiezingen heeft opgestart onder het motto ”BBB levert”, rept ook met geen woord over de AMvB dierwaardigheid van Wiersma. Zij zal er hoogstwaarschijnlijk niet rouwig om zijn dat zij door de vertraging die is opgetreden en de val van het kabinet geen handtekening hoeft te zetten onder een haar onwelgevallig aanhangsel van de Wet Dieren en het besluit Houders van Dieren.

Wat staat er in die AMvB dierwaardigheid?

En dan nu naar de inhoud. Wat staat er in die AMvB dierwaardigheid? Hoe geeft Wiersma invulling aan het vereiste dat de veehouderij per 2040 dierwaardig moet zijn? En welke argumenten voert zij aan dat de veehouderij mogelijk meer dan vijftien jaar nodig heeft om dierwaardig te worden?

Het valt allemaal vies tegen. Alles wat Wiersma in de AMvB heeft opgenomen blijkt slechts een fractie van wat noodzakelijk is om een dierwaardige veehouderij, zoals verwoord door de Raad voor Dierenaangelegenheden, te realiseren. Een belangrijk onderdeel van dierwaardigheid – het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag – is slechts in zeer beperkte mate per 2040 dankzij de AMvB gegarandeerd. Dat is in strijd met wat de Tweede Kamer eerder al wettelijk heeft vastgelegd.

AMvB komt niet in de buurt van zes leidende principes

Verder is de AMvB er niet op gericht dat dieren in de veehouderij een overwegend positieve emotionele toestand bereiken. Wiersma beweert wel dat zij de zes leidende principes van de RDA voor een dierwaardige veehouderij in de regelgeving heeft opgenomen, maar dit is niet het geval. Net zomin als dat zij het voldoen aan de gedragsbehoeften van varkens, melkvee en kalveren, en pluimvee in niet mis te verstane regels heeft vastgelegd. Ze verschuilt zich in de Ontwerp Toelichting achter het ontbreken van wetenschappelijke informatie en laat alle gedragsbehoeften erbuiten die een systeemwijziging zouden inhouden.

Kalf bij de koe stuit op knelpunten

Opvallend in dit verband is de redenatie waarom – als het kalf niet bij de koe kan – groepshuisvesting van kalveren pas wordt voorgeschreven vanaf een leeftijd van 14 dagen. Notabene is wetenschappelijk aangetoond dat vroege groepshuisvesting goed is voor het welzijn van deze dieren. Maar nee, de AMvB staat toe dat kalveren maximaal tot 14 dagen leeftijd individueel gehuisvest worden en daarna met twee dieren in een ”groep”. Als argument worden diergezondheidsredenen aangevoerd, die te maken hebben met de opbouw van het immuunsysteem van kalveren. Maar de ware reden blijkt dat er zowel in de melkveehouderij, als de kalverhouderij, een aanpassing van het houderijsysteem en het bedrijfsmanagement nodig is. Kalf bij de koe komt pas in 2040 in beeld, vanwege de vele ”knelpunten die door veehouders zijn benoemd.”

Open normen

De AMvB staat doelbewust vol met open normen. Een voorbeeld van zo’n open norm voor de houders van varkens, in te voeren per 2030: ”De houder neemt toereikende maatregelen om concurrentie om voerplaatsen en waterplaatsen te voorkomen.”
Open normen laten ruimte voor interpretatie en dat is heel lastig in de handhaving. Maar Wiersma neemt dit kennelijk op de koop toe: het werken met doelvoorschriften past bij het kabinetsbrede voornemen om in te zetten op doelsturing, schrijft ze in de Ontwerp Toelichting bij de AMvB.

Zelfregulering

Zwak punt in de AMvB is de zelfregulering. Voor alles wat niet wettelijk is geregeld en voor alles wat in open normen is vervat, verwijst de wetgever naar nog niet bestaande Gidsen voor Goede Praktijken. Deze kunnen worden opgesteld door de sectororganisaties, lees de lobbyclubs voor de veeindustrie. Een verplichting is dat niet. Ook het gebruik van deze gidsen is facultatief, getuige het woordje ”desgewenst” in het volgende citaat: ”Veehouders gebruiken deze Gidsen voor hun bedrijfsvoering op grond van de voorschriften in de AMvB desgewenst wel”, aldus de Ontwerp Toelichting.

AMvB kan zo in de shredder

Uit alles blijkt dat zogeheten ”praktijkonderzoekers” hebben meegeschreven aan deze AMvB. Dat zijn onderzoekers die vaak werken in opdracht van en dicht staan bij de gangbare veehouderij. Dit heeft tot gevolg dat bij het opstellen van de regels voor een dierwaardige veehouderij de praktische haalbaarheid binnen het bestaande systeem van de varkens-, pluimvee-, en melkveehouderij bepalend is geweest. Er zijn afwegingen gemaakt die in het voordeel uitvallen van de grote bedrijven met veel dieren, van de megastallen.

Zo is er in geen enkel geval een buitenuitloop verplicht gesteld. Het is volgens de Ontwerp Toelichting ook niet wetenschappelijk vastgesteld dat de mogelijkheid om naar buiten te gaan voorziet in een gedragsbehoefte. Zelfs weidegang voor koeien is niet in de AMvB dierwaardigheid opgenomen. Daarmee blijven megamelkveebedrijven gespaard, maar verliest deze AMvB dierwaardigheid wel alle geloofwaardigheid.

De AMvB zou gericht zijn op het bewerkstelligen van een dierwaardige veehouderij in 2040 volgens de leidende principes van de RDA. Dit is een opdracht die voortvloeit uit artikel 2.3a van de Wet dieren. Maar de AMvB van Wiersma maakt dit niet waar. Haar conceptregeling kan net zo goed gelijk in de shredder.

>>> Meer over de conceptregeling AMvB dierwaardige veehouderij: waarom koeborstel wel en weidegang niet

Lees ook
>>> BBB zweert bij doelsturing
>>> Van dierwaardige veehouderij naar Humane Livestock Farming
>>>Partij voor de Dieren wil volgend jaar verbod op nieuwe stallen bio-industrie
>>>Strijd om de Wet dieren nog niet gestreden

Lichte verbetering voor 200.000 pensionpaarden

De nieuwe Gids Goede Praktijken van de Sectorraad Paarden houdt een lichte verbetering in voor het leven van de naar schatting ruim 200.000 pension- en manegepaarden.*)

Op twee belangrijke onderdelen zet de Sectorraad Paarden vergeleken met de Gids Goede Praktijken uit 2019 een paar stappen vooruit: paarden moeten meer bewegen en ze moeten gedeeltelijk of volledig toegang tot elkaar hebben. Deze twee verbeteringen komen voort uit het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden over dierwaardigheid. De nieuwe Gids Goede Praktijken is daarop gebaseerd.

Het verschil tussen half uur en uur vrije beweging

In de nieuwe Gids Goede Praktijken neemt de Sectorraad Paarden geen afscheid van de individuele huisvesting van paarden in boxen. Maar de bezwaren van dit nog altijd veel voorkomende type huisvesting moeten wel zoveel mogelijk worden ondervangen, door paarden minstens vier uur per dag te laten bewegen buiten de box (was 2,5 uur), waarvan tenminste een half uur volledig vrij. Dat is aanzienlijk minder dan het advies van expert dr.Kathalijne Visser, die pleit voor rond en uur vrije beweging per dag (hetzij in de paddock, hetzij in de wei) in combinatie met contact met andere paarden. Dat heeft een significant positief effect op het welzijn van paarden, aldus Visser.

Volgens de Gids Goede Praktijken dienen de boxen in de behoefte aan sociaal contact te voorzien. Ze zijn zo gebouwd dat paarden elkaar in ieder geval kunnen zien en daar waar mogelijk/wenselijk ook kunnen aanraken. ”Voor paarden is het belangrijk dat ze deels of volledig toegang tot elkaar hebben”, staat in de nieuwe Gids. In de oude Gids stond: ”Sociaal contact met andere paarden moet dagelijks mogelijk zijn binnen gezichtsafstand of met besnuffelen of aanraking”. Het verschil lijkt subtiel, maar in feite is permanent sociaal contact nu de norm.

Wat de ”V” van vrijheid inhoudt is niet duidelijk

Overigens is de Sectorraad Paarden er niet in geslaagd de opvattingen over dierwaardigheid van de Raad voor Dierenaangelegenheden op essentiële onderdelen door te voeren in aanbevelingen voor de de paardenhouderij. Het uitgangspunt: ”Paarden leven bij voorkeur in een omgeving waar ze kunnen kiezen wat ze willen doen en waarin ze in hun natuurlijke basisbehoeften kunnen voorzien”, resulteert niet in aanpassingen die dit mogelijk maken. De nieuwe Gids Goede Praktijken stelt weliswaar dat het paard in zijn natuurlijke basisbehoeften dient te kunnen voorzien, samengevat in de 3 V’s: Vrijheid, Voeding, Vrienden. Maar wat die ”V” van Vrijheid inhoudt, wordt niet duidelijk. Het zou ook wat zijn als de deuren van alle maneges in Nederland open gaan en de paarden vrij zijn om te gaan en staan waar ze willen!

Dat de Sectorraad Paarden hier nog geen invulling aan kan geven, is vanuit het gezichtspunt van de overwegend als behoudend bekend staande paardensector wel begrijpelijk. Een dierwaardige paardenhouderij lijkt nog ver weg. Toch heeft de Sectorraad zich vastgelegd op de volgende definitie: ”Een paard verkeert in een staat van welzijn wanneer het dier in staat is zich aan zijn levensomstandigheden aan te passen en daarmee een toestand kan bereiken die het dier als positief ervaart.”

Door een dergelijke definitie te hanteren, liggen meer veranderingen in het verschiet. In de nieuwe Gids Goede Praktijken is een eerste, bruikbare aanzet gegeven voor het beoordelen van de positieve emotionele toestand van een paard. Niet de omstandigheden binnen de paardenhouderij zijn daarbij doorslaggevend, maar de fysieke én mentale conditie van een paard.

Gids Goede Praktijken is geen wetgeving

De Gids Goede Praktijken is geen wetgeving. Maar het is ook geen vrijblijvend document. Als een paardenhouder zich er niet houdt, zal een handhavende instantie (bijvoorbeeld NVWA) per individueel geval beoordelen of er moet worden opgetreden. Bij deze beoordeling en eventuele procesgang kan de NVWA of partijen die opkomen voor de belangen van paarden gebruik maken van de Gids Goede Praktijken. De landelijke overheid ziet een dergelijke gids als vorm van zelfregulering. Ook de organisaties die zijn aangesloten bij de Sectorraad Paarden moeten er iets mee. Zij gaan de inhoud verwerken in hun eigen welzijnsbeleid.

*) Cijfer ontleend aan Hippische trendmonitor 2024 van de HAS. In deze monitor staat dat de helft van de naar schatting 450.000 paarden in Nederland zich in een pensionstal of een manege bevindt. 37% wordt door particulieren aan huis gehouden. De overige paarden bevinden zich op boerderijen, in fokstallen, etcetera.
Gegevens ontbreken over hoeveel manege- en pensionpaarden ruimte voor vrije beweging en mogelijkheden tot sociaal contact krijgen, zodat ze op dat vlak in voldoende mate in hun gedragsbehoeften kunnen voorzien. Mijn eigen schatting is dat dit inmiddels om 10% van de paarden gaat.

BBB zweert bij doelsturing

Sinds de Boer Burger Beweging (BBB) het voor het zeggen heeft op het ministerie van landbouw, staat alles in het teken van doelsturing. Het zou dé grote beleidswijziging zijn waaraan de twee bewindslieden Femke Wiersma en Jean Rummenie dagelijks ‘’keihard’’ werken. Het begon met stikstof. Dat megaprobleem moest volgens het BBB-duo worden aangepakt met doelsturing. En nu komt doelsturing ook tevoorschijn als het gaat om dierwaardigheid.

Het is een soort mantra. Letterlijk. Wiersma en Rummenie dragen een loden last met zich mee. De milieugevolgen van de intensieve veehouderij en het lot van miljoenen dieren drukken zwaar op het door hen bestierde ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Om zich daarvan te bevrijden nemen ze bij herhaling het woord doelsturing in de mond. ‘’Goedemorgen Femke, doelsturing vandaag?’’, vraagt Jean ’s morgens bij het betreden van het departement. ‘’Zeker, Jean. Doelsturing’’, reageert Femke, nog voordat ze de draaideur door is.

Het woord zoemt rond in de gangen, door vergaderzalen, in emailverkeer en Kamerdebatten. Maar niet alleen als een rustgevende, verbindende bezweringsformule. Doelsturing is in de ogen van Wiersma en Rummenie het stadium van toverspreuk inmiddels ruim voorbij. Het werkt echt, is hun overtuiging. Tegen vele kwalen.

Wat is doelsturing?

Jaren geleden kwam ik in aanraking met het begrip. Het moet eind vorige eeuw zijn geweest. Een milieuambtenaar legde me het verschil uit tussen doel- en middelvoorschriften. In doelvoorschriften staan normen waaraan een veehouderij moet voldoen, bijvoorbeeld: geen overlast veroorzaken. Of: niet meer ammoniak uitstoten dan vergund.  
In middelvoorschriften staat omschreven hoe veehouders aan deze normen moeten voldoen, bijvoorbeeld door toepassing van een bepaald soort luchtwasser. De milieuambtenaar signaleerde toen al een verschuiving van middel- naar doelvoorschriften en waarschuwde: dat maakt de handhaving een stuk moeilijker, het milieu, de biodiversiteit en de leefomgeving rond veehouderijen zullen er niet beter op worden.

Waar kennen we doelsturing van?

Later kwam ik het begrip tegen in een evaluatie van de wet Dieren (2020). Die wet, ingevoerd in 2013, betekende het einde van een aantal middelvoorschriften uit de tot dan toe geldende wet- en regelgeving. Ze werden gedeeltelijk vervangen door doelvoorschriften. Zo moest een hondenhok voortaan ‘’voldoende ruimte bieden aan de hond’’. De oppervlakte-eis van 7 m2 en 2 meter hoog uit het oude Besluit inzake het houden van een waak- of heemhond kwam te vervallen.

De argumentatie vóór meer doelsturing in de wet Dieren kwam overeen met die van nu: erkenning van de verantwoordelijkheid van houders van dieren, ruimte bieden voor innovatie en initiatief. Maar in plaats van er een aansporing in te zien voor het doelsturingsbeleid van het BBB-duo, zou de aandacht vooral moeten uitgaan naar de vinger die in deze evaluatie wordt gelegd op een hele zere plek.
Doelvoorschriften zijn in feite open normen, aldus de samenstellers van de evaluatie (Bureau Berenschot) . Deze leiden niet tot innovatie en het invullen ervan is grotendeels achterwege gebleven. In plaats daarvan doen zich handhavingsproblemen voor. Open normen leiden ook tot juridisering. En: ‘’Omdat niemand de open normen verduidelijkte, hebben handhavende instanties, vaak tegen wil en dank, beleidsregels vastgesteld.’’ Hetgeen zoveel wil zeggen als: laat de wetgever het afweten, dan moet het maar buiten het parlement om.

Het disfunctioneren van de doelsturing

Een verklaring voor het disfunctioneren van de doelsturing kan, volgens Berenschot, liggen in de ‘’Europeesrechtelijke dimensie’’. De regels waaraan moet worden voldaan, zijn overwegend op Europees niveau vastgelegd. ‘’Dit betekent dat de nationale wetgever niet kan bepalen of een norm vorm wordt gegeven als middel- of doelvoorschrift. De nationale regelgever had dus niet de beslismacht om meer ruimte voor innovatie in de regelgeving mogelijk te maken voor die groepen die daartoe in staat zouden moeten zijn. De nationale overheid kan slechts beperkt sturen op het maken van open normen die geschikt zijn voor innovatie.’’

Wat een belangrijke aanwijzing voor het BBB-duo Wiersma en Rummenie om een andere route te kiezen! Toch gaan ze halsstarrig door op het doelsturingspad. Niet alleen met de stikstofaanpak, ook in de inmiddels verschenen conceptregeling AMvB’s gericht op een dierwaardige veehouderij is het doelsturing troef. Notabene in antwoorden op vragen over de handhaving van artikel 1.6 uit het Besluit Houders van Dieren – een open norm bij uitstek – komt de aap uit de mouw. Dat er ten gevolge van open normen een hoop gedoe *) kan ontstaan, met mogelijk grote consequenties, is voor de bewindslieden geen reden om de open normen bij het grof vuil te zetten. Integendeel.

VVD vraagt om invullen van open normen

De Tweede Kamer moppert al een tijdje dat open normen nu eindelijk eens ingevuld moeten worden om zo onduidelijkheden in wet- en regelgeving weg te nemen. Vooral de VVD vraagt daar expliciet om, mede met het oog op wetgeving op het gebied van een dierwaardige veehouderij, de zogeheten AMvB’s.
Maar Rummenie, die in het geval van handhaving artikel 1.6 de vragen beantwoordt, geeft aan: ‘’De minister van LVVN zal regels in de AMvB waar mogelijk vormgeven als doelvoorschriften zodat enerzijds het te bereiken dierenwelzijnsdoel helder is, maar er anderzijds handelingsruimte is voor de veehouder om dat doel zo te bereiken dat het best past binnen de eigen bedrijfsvoering.’’

De argumentatie klinkt bekend in de oren: ‘’Veehouderijen verschillen sterk van elkaar in omvang, inrichting, bedrijfsvoering, waardoor het niet altijd mogelijk en niet wenselijk is om een generieke aanpak of voorschrift voor te schrijven. Bovendien bieden doelvoorschriften ruimte voor innovatie en de mogelijkheid om met nieuwe toekomstige geschikte manieren aan een gedragsbehoefte invulling te geven. Het doel moet voldoende concreet zijn zodat objectief door de toezichthouder kan worden vastgesteld of een houder het gestelde doel heeft behaald.’’

Doelsturing en dierwaardige veehouderij: dat wordt vijftien jaar chaos of stilstand

De belangenbehartigers van de veehouderijsector zijn blij met zoveel doelsturing en ‘’handelingsruimte’’. Ondanks alle waarschuwingen dat ze met het BBB-duo Wiersma en Rummenie alleen maar dieper in het moeras terecht komen. Met het huidige handhavingspotentieel is het namelijk onbegonnen werk om te controleren of elk bedrijf aan gestelde doelen voldoet. Dat geldt voor de aanpak van stikstof, maar ook voor het realiseren van een dierwaardige veehouderij.

Want hoeveel handelingsruimte krijgt een varkenshouder om aan het maternaal gedrag van een zeug met biggen tegemoet te komen? Net als bij stikstof liggen oeverloze discussies en talrijke rechtszaken in het verschiet. Het vooruitzicht: tot 2040 (de deadline voor een dierwaardige veehouderij) vijftien jaar chaos of vijftien jaar stilstand. De milieuambtenaar die ik een kleine dertig jaar geleden sprak, zou wel eens opnieuw gelijk kunnen krijgen. Het leven van de miljoenen dieren in de veehouderij zal er, net zo min als het milieu, de biodiversiteit en de leefomgeving, door doelsturing voorlopig niet beter op worden.


*) Het gaat hier om artikel 1.6 Houden van dieren:
1. De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht.
2. Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.


De rechter heeft de landbouwminister opgedragen om aan te geven of het gebruik van kraamkooien in een bepaalde varkenshouderij in strijd is met artikel 1.6. van het Besluit Houders van Dieren.
Wakker Dier, de dierenwelzijnsorganisatie die de kwestie van de kraamkooien voor de rechter heeft gebracht, vindt van wel. Als de rechter daarin meegaat, heeft dat grote consequenties. De betrokken varkenshouder zal in elk geval zijn kraamkooien moeten opruimen en misschien al zijn collega’s ook.

Onderzoek naar bloedafname bij drachtige merries

IJslanders foto Wikimedia Commons/Picasa

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) voert onderzoek uit naar bloedafname bij paarden, in het bijzonder bij drachtige merries. Het onderzoek is onderdeel van een omvangrijk wetenschappelijk advies over het welzijn van paarden in de EU, dat eind 2026 verschijnt. Gaat het onderzoek meer duidelijkheid verschaffen over de ”winning” van het hormoon PMSG? En het gebruik ervan in de veehouderij?

Het verzamelen van gegevens over het bloedonderzoek bij (drachtige) paarden loopt tot medio 2025. De EFSA is vooral op zoek naar informatie van bedrijven, nationale voedselautoriteiten, onderzoeksinstellingen en andere belanghebbenden, die relevant is voor het beoordelen van risico’s voor het welzijn van paarden bij het verzamelen van bloed voor commerciële doeleinden. Er zijn al enkele voorbereidende besprekingen gevoerd, ook met vertegenwoordigers van Nederlandse paardenorganisaties.

Abortussen

De EFSA heeft belangstelling voor de wijze waarop bloed wordt afgenomen, hoe veel en hoe vaak, hoe paarden worden vastgezet, de tijd tussen twee opeenvolgende afnames bij hetzelfde dier en gegevens over de zorg aan donorpaarden. Ook wil de EFSA meer weten over abortussen na commerciële bloedafnames bij drachtige merries. Hoewel niet met zoveel woorden genoemd, duidt dit erop dat de EFSA informatie wil over zogeheten bloedboerderijen.

Het is bekend dat er in landen als IJsland nog altijd bloedboerderijen bestaan. Zij leveren bloed met daarin het hormoon PMSG (bioactieve stof eCG). Dat wordt op grote schaal gebruikt als vruchtbaarheidsmiddel voor varkens, runderen, schapen en geiten. Ook in Nederland. De Keuringsdienst van Waarde heeft daar in 2023 een  tv-programma over gemaakt. Het IJslandse bedrijf Isteka faciliteert nog altijd bloedboerderijen. Een dierenarts is verantwoordelijk voor de bloedafname. Dat gebeurt volgens de eisen van de IJslandse Voedsel- en Veterinaire Autoriteit, zo meldt het bedrijf op de website.

Hormoon wordt ook in Nederland gebruikt

In 2022 antwoordde toenmalig minister van landbouw Staghouwer op Kamervragen van de Partij voor de Dieren dat er in Nederland geen paarden worden gehouden voor de productie van PMSG. Voor deze praktijk is een vergunning nodig van de Wet op de Dierproeven. Er is hiervoor geen vergunning afgegeven, aldus Staghouwer. Hetgeen overigens niet betekent dat er in Nederland geen bloed van drachtige merries wordt ”gewonnen”.

Het is bekend dat PSMG in de Nederlandse veehouderijsector wordt gebruikt. Een van de leveranciers: MSD Health. Bekend is de toepassing bij varkens en koeien. Minder bekend zijn de praktijken met geiten en schapen. Een folder laat zien hoe het middel wordt gebruikt om ooien eerder vruchtbaar te maken of het aflammeren te synchroniseren, zodat ze vrijwel tegelijkertijd lammeren krijgen.

Anja Hazekamp

Europarlementariër Anja Hazekamp ijvert al geruime tijd voor een verbod op de productie én import van PMSG. “Drachtige paarden beroven van hun bloed om varkens sneller te bevruchten voor vleesproductie; dat kan en mag geen onderdeel zijn van ons voedselsysteem. Het is bemoedigend dat na het Europees Parlement ook steeds meer EU-landen duidelijk maken dat deze horrorpraktijken op bloedboerderijen zo snel mogelijk moeten stoppen,” aldus Hazekamp in 2022. De Animal Welfare Foundation houdt de druk op de ketel. Onlangs is een video op YouTube gezet: Iceland’s blood farms. De beelden dateren van september 2024.

NVWA: miljoenen kippen raken jaarlijks gewond bij vangen

Bij het vangen van legkippen, vleeskuikens en eenden raken jaarlijks miljoenen dieren gewond. Het is voor het eerst dat de controlerende instantie NVWA daarover haar zorgen deelt met het publiek. Tot ongenoegen van de pluimveehouders.

De NVWA plaatste een bericht op de website uit na een gerechtelijke uitspraak. Deze was in het nadeel van de NVWA. Letsel dat aan de slachtlijn wordt vastgesteld kan niet één op één in verband worden gebracht met het vangen van kippen in een stal. Het is mogelijk dat dit letsel elders is ontstaan, oordeelde de rechter.

Reden voor Lisette de Ruigh, directeur Slachttoezicht bij de NVWA, om het publiek in te lichten over de omvang van het probleem en aan te geven dat de NVWA door de uitspraak nu met lege handen staat. Dit terwijl gewonde dieren ernstige pijn lijden bij het vangen, tijdens het vervoer en bij handelingen in het slachthuis. ”De NVWA heeft zich de afgelopen jaren zeer ingespannen om letsel bij pluimvee terug te dringen. Met succes. Strenge handhaving en een keten die laat zien in staat te zijn om zorgvuldiger met de dieren om te gaan, hebben tot een aanzienlijke daling van het aantal dieren met letsel geleid.”

‘Aantal dieren met letsel nog te hoog’

De NVWA komt met cijfers: in 2017 had 27 procent van de Nederlandse koppels pluimvee vangletsel boven de handhavingsgrens. Dat gedaald naar iets meer dan 2 procent. “Dat is een mooi resultaat, ook dankzij de inspanning van een aantal ketenpartners zelf”, aldus De Ruigh. Maar, stelt ze vast: ”’Ondanks de daling is het aantal dieren met letsel aan de slachtlijn nog te hoog. We hebben het nog steeds over miljoenen dieren op jaarbasis die pijn lijden”.

Kees de Jong van de Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (NOP) vindt de zorgen van de NVWA ongegrond: ”de daling van vangletsel is vooral te danken aan de inzet van pluimveehouders en vangploegen”, zegt hij op nieuweoogst.nl. Of de NVWA nu wel of niet handhaaft, maakt volgens hem weinig uit. Demissionair landbouwminister Wiersma laat weten geen boodschap te hebben aan de zorgen van de NVWA. ”Ik vertrouw erop dat de sector haar uiterste best doet het percentage vangletsel te blijven verminderen”, schrijft ze in antwoord op vragen van de PvdD.

De kippen die in de Nederlandse slachthuizen belanden zijn overigens lang niet altijd afkomstig van Nederlandse pluimveebedrijven. In 2023 kwam ongeveer de helft uit Nederland, De rest kwam uit België, Duitsland en Denemarken. Omgekeerd gaat een groot deel van het Nederlandse pluimvee naar buitenlandse slachthuizen. Voor meer cijfers, zie inspectieresultaten.

Lees ook: Vangmachine veegt en zuigt kippen als aardappels op uit de stal

Grote kans dat Dolfinarium het circus achterna gaat: geen shows met wilde dieren meer

Foto Flickr/William Warby

We moeten het even over dolfijnen, walrussen en zeeleeuwen hebben. Voor de zoveelste keer is namelijk het Dolfinarium in Harderwijk in opspraak. Daar komt bij dat de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) onlangs een zienswijze heeft uitgebracht over dierwaardigheid in dierentuinen.

Dit, in combinatie met de campagne ‘’Dolfinariumvrij’’ van de stichting Bite Back Nederland én de bereidheid van het bevoegd gezag om op te treden, zou er wel eens toe kunnen leiden dat er aan de shows met zeezoogdieren na jaren van gebrekkig toezicht en halfzachte maatregelen een einde komt. Net zoals er in 2015 een einde kwam aan shows met wilde dieren in circussen.

LAATSTE NIEUWS: Dit bericht is op 27 mei 2025 herzien na een gerechtelijke uitspraak. Het Dolfinarium hoeft de shows voorlopig niet aan te passen. De dwangsom is geschorst. Over deze uitspraak is een alinea toegevoegd (naar beneden scrollen).

Dolfinarium is een dierentuin

Volgens de wet is het Dolfinarium een dierentuin, dat wil zeggen: “een permanente inrichting waar levende wilde dieren worden gehouden om gedurende ten minste zeven dagen per jaar te worden tentoongesteld aan het publiek.’’ Het Dolfinarium voldoet aan die definitie, ook al heeft dit bedrijf anders dan een dierentuin als Artis, als belangrijkste doel: het publiek vermaken met dieren.
Dat is ook precies de problematische kant van dit Harderwijkse pretpark. Sinds 2016 worden er met enige regelmaat Kamervragen gesteld over het welzijn van de dieren. Sinds 2019 ligt het Dolfinarium onder een vergrootglas. In 2020 zijn er na een advies van een zogeheten visitatiecommissie door toenmalig minister Carola Schouten afspraken gemaakt ter verbetering.

In 2024 bleek dat met die afspraken de hand werd gelicht. Waarna het Dolfinarium van de controlerende instantie Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) de opdracht kreeg per 11 april 2025 omstreden shows aan te passen.

  • Walrussen zouden niet meer mogen schudden met hun lijf (dit onderdeel, het zogeheten ”blubberen”, blijft dankzij een gerechtelijke uitspraak toegestaan);
  • Californische zeeleeuwen en walrussen mogen niet meer zwaaien en klappen met hun vinnen;
  • dolfijnen mogen een verzorger niet meer voortduwen met de neus;
  • een trainer mag niet meer met zijn voeten geklemd om de staart van een dolfijn samen met het dier op rug drijven;
  • dolfijnen mogen niet over mensen of objecten heen springen (dit onderdeel blijft dankzij een gerechtelijke uitspraak toegestaan);
  • dolfijnen mogen niet op commando op de kant springen.

    Verder zijn verboden: bezoekers laten natspuiten door de dieren, dieren hun tong laten uitsteken, dolfijnen boven water geluid laten maken, dolfijnen rechtop laten staan in het water, ze bewegingloos laten drijven en kusjes of knuffels geven.

Boetes

Dit alles is in strijd met de voorschriften van de dierentuinvergunning, want geen natuurlijk gedrag of geen gedrag dat de educatieve boodschap (voor zover aanwezig) ondersteunt. Geeft het Dolfinarium hier geen gehoor aan, dan volgen er boetes van 2000 euro per overtreding met een maximum van 10.000 euro. Daarna kunnen er eventueel verdergaande maatregelen worden opgelegd, zoals een gedeeltelijke sluiting van het park voor het publiek. Het Dolfinarium heeft bezwaar aangetekend tegen het besluit van RVO. Een gerechtelijke procedure ligt in het verschiet. Hét verdienmodel van deze dierentuin dreigt onderuit te worden gehaald.

De voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 26 mei 2025 bepaald dat er voorlopig geen dwangsommen mogen worden opgelegd aan het Dolfinarium. Er moet volgens de rechter beter worden gekeken naar het educatieve programma van het Dolfinarium en de relatie met de dierpresentaties. Deze uitspraak in kort geding staat los van de bezwaarprocedure. Na de zomer wordt een beslissing op dat bezwaar verwacht. Het dolfinarium heeft half augustus 2025 aangekondigd opnieuw naar de rechter te stappen om niet toegelaten showonderdelen toch te kunnen uitvoeren. Het zou volgens het Dolfinarium onder voorwaarden zijn toegestaan om dieren onnatuurlijk gedrag te laten vertonen, mits dat gebeurt voor educatieve doeleinden.

Maar het Dolfinarium staat zwak. Zeker nu de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) adviseert dierentuinen toekomstbestendig te maken. Wie de zienswijze van de RDA over dierwaardige dierentuinen serieus neemt, moet toegeven dat wat er zich in ‘’het grootste zeezoogdierenpark van Europa’’ afspeelt, heel ver af staat van de wezenskenmerken van dierwaardigheid, Niet alleen hebben de shows weinig tot niets te maken met het natuurlijk gedrag van zeezoogdieren, ook de erkenning van de intrinsieke waarde en respect voor de integriteit van dieren is ver te zoeken. Om nog maar te zwijgen over het ervaren van een positieve emotionele toestand.

Grote kans dat het Dolfinarium het circus achterna gaat: geen shows met wilde dieren meer. Net als overigens in Frankrijk en België. Zo bijzonder is dat dus ook weer niet. Op de website wordt het al min of meer aangekondigd: ‘’Ontmoet jij binnenkort een dolfijn van dichtbij? We zijn momenteel druk bezig met het spoedig plannen van nieuwe programma’s.’’
Ik ga binnenkort eens kijken.